Opinie

    • Marjoleine de Vos

In je huis ken je alles en alles kent jou

Marjoleine de Vos

Wat een huis eigenlijk is, wat wónen eigenlijk is, vraag je je af als je gaat verhuizen. Vond een gedicht terug dat ik schreef toen het huis waaruit ik nu vertrek vijftien jaar geleden een nieuw huis was. Ik schrijf hoe ik in de serre zit „Alsof ik hier niet ben, zo doet de wind/ in het lichtgroen en weet de kamer/ niets van mij”. Dat gevoel: dat het huis nog niet weet dat je er woont, alsof jij er niet bent en het huis zijn eigen stille leven leidt.

Als je eenmaal woont schikt het huis zich naar je. Het wordt van jou, wat voornamelijk wil zeggen dat je hand weet waar het lichtknopje zit, je voeten nooit struikelen over een richeltje, de klemmende deur met een heupbeweging wordt dichtgeduwd. Het patroon van de tegels, de kieren in de planken. Alles ken je en alles kent jou, al is dat laatste niet waar. Toch is dat wat wonen betekent.

„Dit Huus is mien und doch nich mien, de no mi kummt, nennt’t ook noch sien”, las ik in een boek van de Duitse schrijfster Dörte Hansen. Typisch zo’n spreuk voor in een oud huis boven de deur, zo’n wijsheid van niets waar je schouderophalend aan voorbij gaat, tot de schrik je bevangt dat iemand anders uit jouw ramen zal kijken naar jouw tuin en dan zal zeggen ‘mijn uitzicht’. Hoe is dat mogelijk. Hoe kun je zozeer een passant zijn – maar dat weten we immers maar al te goed.

Al die jaren dat ik hier woonde – je weet niet eens goed wat jaren zijn. Als zand door de vingers zeg je, maar welnee, er waren lange dagen bij, hevige ochtenden, dolle avonden, niks geen zand, dat was leven. We zaten in de tuin en praatten gedempt, we hoorden de regen op het dak tikken, ik kookte terwijl er mensen aan tafel zaten en lachten, er liep een vriend de tuin in die er nu niet meer is, er klonken stemmen die hier niet meer klinken.

Het huis staat in de tijd, en die tijd wordt nu afgesloten en tot een tijdperk gemaakt. Raar eigenlijk dat je dat kunt doen met tijd. Etiketje opplakken: dat waren mijn jaren in T. Nu komen de jaren in Z. Wat de toekomst brengen moge… geen idee.

En dan het verhuizen zelf. Dat mensen die beweren zo aan wonen te hechten, aan een plek, aan hoe een huis om ze heen zit, behaaglijk en naar hun smaak, zoiets doen. Al die moeite die er genomen is om meubels, lampen, kleuren uit te zoeken en dan op een dag ga je dat allemaal inpakken en kijk je ineens met een kille blik naar de inhoud van je kasten. Wat doen die kopjes daar nog? Waarom die rare houten eend bewaard, die knipsels – weg ermee. Opruimen.

Onttakelen.

Zo zijn er meer huizen geweest waar je bent weggegaan, huizen waar je later nog eens langsfietste of -reed en dan zei je of dacht je: daar heb ik gewoond. Niets meer van te zien. „De plek waar je woonde opzoeken/ zien dat het huis weg is – afgebroken/ en toch blijven zoeken”, schreef Rutger Kopland en dat geldt altijd, ook al staat het huis er nog. De plek waar je woonde is afgebroken. Die is ergens in de verloren tijd terecht gekomen.

Gelukkig is er de toekomst die vol nieuwe verf en met open kasten op je staat te wachten. En als je erin stapt moet je weer merken: dit huis kent mij nog niet. Maar het zal wat gaan beleven!

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.