Opinie

    • Frits Abrahams

Een nacht in het ziekenhuis

Frits Abrahams

Tegen middernacht kwam een verpleegster me met een rolstoel ophalen. Ze moest me naar haar afdeling, Longziekten, brengen waar ik die nacht zou worden opgenomen. Niet omdat ik iets aan mijn longen mankeerde, maar omdat alleen op die afdeling van het ziekenhuis nog een bed vrij was.

Ze wist niet dat ik nog kon lopen als altijd. „Ik loop liever naast u mee”, zei ik. „Wat u wilt”, zei ze met een brede glimlach. Het leek me nogal gênant om zonder goede reden voortgeduwd te worden, stel je voor dat een toevallig passerende bekende zou roepen: „Wat is er met jou aan de hand? Je gaat toch niet dood?”

„Galstenen”, zou ik moeten antwoorden. Geen kwaal waarmee je veel ontzag en medelijden kon opwekken. Nierstenen gaat nog wel, die zijn berucht om hun snerpende pijn. Bovendien was ik alleen maar onderzocht, niet eens geopereerd.

Toch kunnen ze je lelijk dwarszitten, galstenen. Ze maken je misselijk en moe en ze blijven doorzeuren als je loopt. Ik wilde graag van ze af, maar dat gaat niet zo makkelijk. Ik was die dag door de hele medische molen gegaan, van wachtruimte naar wachtruimte en van onderzoek naar onderzoek. Overal was het even druk geweest, het ziekenhuis leek één groot uitpuilend gezwel van patiënten en hun pijn.

Uiteindelijk hadden de medische gezaghebbers besloten me nog een nachtje te observeren en dan te beslissen over het vervolg. Daarom stond ik me die nacht opeens in het halfduister uit te kleden in een kamer met twee slapende vrouwelijke longpatiënten, de een onzichtbaar achter een gordijn, de ander een kleine grijze schim in bed. Mijn vrouw, die nog wat spullen had gebracht, vertrok.

Ik vertelde de verpleegkundige dat ik na mijn tiende nooit meer een nacht in een ziekenhuis had doorgebracht. Ze gaf geduldig uitleg en legde me aan een infuus met antibiotica. Daarna mocht ik gaan slapen.

Pas toen merkte ik dat ik op een zaal met longpatiënten lag. Galstenen zwijgen, maar longen niet. Regelmatig braken de vrouwen in lange verwoestende hoestbuien los, soms gezamenlijk, maar meestal afwisselend – een angstaanjagend koor van wanhoop en lijden. Het was of ik hun longen hoorde scheuren; ik heb nooit geweten dat een mens zó kan hoesten.

Het kostte me weinig moeite de volgende morgen wakker te worden. Had ik eigenlijk wel geslapen? „Ik heb lekker geslapen”, hoorde ik de vrouwen tegen elkaar zeggen. De een hield zich afzijdig van mij, de ander ontdooide snel. Ze lag tegenover mij, een tenger vrouwtje dat nog redelijk kwiek uit bed kon komen. Ze vertelde me dat ze 93 jaar was.

„Dat zou je niet zeggen”, zei ik, en ik meende het ook nog. „Maar het valt niet mee”, zei ze. „Ik raak het niet kwijt, dat slijm. Niets helpt. Ik ben kapot. Het maakt me zó moe. Mijn kwaal is ouderdom. Ik heb me opgegeven voor euthanasie, want ik wil niet stikken in het slijm. Maar je zult zien dat dat toch gaat gebeuren.”

Terwijl we lagen te praten, schuifelde de andere vrouw tussen onze bedden door naar de wc. „Zolang je ademt is het goed”, zei ze tegen de klagende vrouw.

Enkele uren later kwam een dokter me vertellen dat ik niet geopereerd zou worden en met een antibioticakuur naar huis mocht. Ik zag de 93-jarige starend op de rand van haar bed zitten en telde mijn zegeningen.