De laatste mode van veertig jaar geleden

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: op zoek naar een pak voor haar zoon, die aan zijn eerste baan gaat beginnen.
Illustratie Eliane Gerrits

Ik ga met mijn zoon een pak kopen. Op het laatste moment, dus we tijgen naar de lokale mall, vier kilometer en veertig jaar ver. Terug naar de jaren tachtig, de tijd van brede schouders en oversized pakken. Het halfverlaten warenhuis is zelf een dinosauriër onder de winkels die vermoeid zijn laatste adem uitblaast.

Op de afdeling mannenmode in een hoek op de tweede verdieping staat de kleermaker tussen de rekken te wachten, een lange man van rond de zeventig. Nonchalant draait hij het speldenkussen om zijn pols, terwijl wij rondkijken. Alle pakken lijken op elkaar. Na een minuut of vijf kan hij zich niet meer inhouden en pakt een grijs exemplaar uit het rek.

„Ik weet precies wat deze jongeman zoekt”, zegt hij.

„Moet u mijn maat niet weten?”, vraagt mijn zoon. Het pak ziet er erg ruim uit.

Son”, zegt hij met een gepijnigde uitdrukking, „ik doe dit werk al vijftig jaar. Ik weet iemands maat als ik hem zie.”

Hij leidt ons met pak en al naar een atelier alwaar hij de zoon een pashokje induwt. Voor het deurtje zet hij een paar schoenen, ongetwijfeld in de juiste maat. Het atelier blijkt een piepkleine ruimte zonder ramen waar het ruikt naar Old Spice-aftershave. Hij geeft me een knipoog, terwijl de zoon zich zuchtend in het pak hijst. „Zijn eerste baan, hè? Bloednerveus”, weet hij.

Dan komt de zoon naar buiten. Hij ziet eruit als een handelsreiziger van middelbare leeftijd die zojuist te horen heeft gekregen dat zijn vlucht zes uur is vertraagd. De kleermaker zet hem zonder omhaal op een verhoging en drentelt om hem heen.

„Helemaal goed”, zegt hij. „Meneer is klaar voor de toekomst.”

„Nou”, zegt de zoon, „de broekspijpen zijn wel erg lang.”

„Te lang?”, zegt de man en legt een hand op zijn schouder. „Son, ik kan je een dingen zeggen, die broekspijpen zijn just right. Een man draagt nooit korte pijpen. Nooit. Neem dat van me aan.”

Mijn zoon kijkt me verwilderd aan. Waarom speldt de man de broek niet af? Maar die werpt me een trotse blik toe. Ik wil toch ook niet dat mijn zoon voor gek loopt.

„En het jasje is veel te wijd”, gaat de zoon verder. Hij trekt de stof naar voren, om te laten zien hoe ruim het pak zit. Er kan gemakkelijk nog een persoon tussen.

„Dat jasje, jongeman”, zegt de kleermaker sonoor, „zit perfect. Ik hou van mijn vak, maar daar moet niks aan veranderd worden.”

„Son”, vervolgt hij met een vette knipoog, „je wilt niet het jasje van je zusje aan, als je begrijpt wat ik bedoel.”

Maar de zoon heeft ook zo zijn principes. „Mam, we gaan”, zegt hij. „Ik ga hier echt niet mee voor gek lopen.”

„Ma’am”, zegt de man hoofdschuddend als we winkel uitlopen. „Such a fine young man. U wilt toch niet dat hij erbij loopt als een sissy?”

De volgende dag staan we midden in Manhattan. Een twintigjarige vlotte jongen meet onze zoon een scherp gesneden pak aan. De pijpen strak en zonder vouw. Helemaal klaar voor de toekomst.

Reacties naar pdejong@ias.edu