‘Puber moet kunnen stemmen bij lokale en provinciale verkiezingen’

Kieswet Verlaag de kiesgerechtigde leeftijd naar zestien, schrijft de Raad voor het Openbaar Bestuur in een advies aan kabinet en parlement.

Mensen brengen hun stem uit voor de Provinciale Statenverkiezingen in een stemlokaal in de Utrechtse wijk Kanaleneiland.
Mensen brengen hun stem uit voor de Provinciale Statenverkiezingen in een stemlokaal in de Utrechtse wijk Kanaleneiland. Foto Niels Wenstedt/ANP

Begin dit jaar verzamelden ze zich nog met duizenden in Den Haag om strengere klimaatmaatregelen te eisen. Jongeren kunnen participeren in de Nationale Jeugdraad, er zijn gemeenten met een jongerenraad, Amsterdam kent sinds dit jaar een jongerenburgemeester.

Maar stemmen mogen ze niet.

Dat moet veranderen, vindt de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB), een onafhankelijk adviesorgaan van de regering en het parlement. Zijn advies is de Kieswet aan te passen, zodat jongeren vanaf zestien jaar kunnen stemmen tijdens lokale en provinciale verkiezingen.

Het was de wens van Sarah de Lange, vertrekkend ROB-lid, om hier onderzoek naar te doen. De Lange, bijzonder hoogleraar Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, benadrukt: „Dit is niet een maatregel waar je wonderen van moet verwachten.” Maar: „Op langere termijn is verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd naar zestien jaar wel van invloed op de opkomst tijdens verkiezingen.”

Tussen 1919 en 1972 werd de kiesgerechtigde leeftijd in vier stappen verlaagd van 25 naar 18 jaar. Dat kon relatief eenvoudig, omdat het alleen vastgelegd stond in de Kieswet. Pas sinds 1972 staat de leeftijdsgrens ook in de Grondwet. Jongeren onder de 18 jaar werden toen niet competent genoeg geacht om te stemmen, zo staat in de uitleg bij dat wetsvoorstel. De ROB adviseert nu de kiesgerechtigde leeftijd te deconstitutionaliseren.

Werking van het puberbrein

Sinds de kiesgerechtigde leeftijd in de Grondwet is vastgelegd, is meer bekend over de werking van het puberbrein, zegt De Lange. „De literatuur leert dat het brein inderdaad niet is uitontwikkeld. Maar er wordt een onderscheid gemaakt tussen koude en warme fases. Warme fases zijn momenten waarop jongeren opgewonden zijn, als ze bijvoorbeeld ruzie maken. Dan reageren ze heel primair.”

In de zogenoemde koude fase speelt emotie geen prominente rol en kunnen ze een afgewogen keuze maken. „Als jongeren een beslissing moeten nemen over iets waar ze de tijd voor krijgen en zich over kunnen informeren, dan functioneren de hersenen goed. Iemand van zestien mag ervoor kiezen om zich toch te laten vaccineren, als zijn of haar ouders dat niet hebben laten doen. Dat is ook iets waar je goed over na moet denken.”

In Oostenrijk, waar het politiek stelsel sterk lijkt op dat in Nederland, mochten zestienjarigen in 2005 voor het eerst meestemmen in twee deelstaten. In de jaren daarna mochten ze dat ook tijdens gemeenteraadsverkiezingen. Tijdens de parlementsverkiezingen van 2008 stemden er voor het eerst ook zestienjarigen landelijk mee. „Dat had invloed op het verwerven en ontwikkelen van politieke kennis en interesse, en op de groei van politiek zelfvertrouwen onder jongeren.”

Oostenrijk is niet het enige Europese land waar jongeren mogen stemmen. In Duitsland bijvoorbeeld mogen zestien- en zeventienjarigen in sommige deelstaten stemmen bij regionale verkiezingen, in Estland geldt dat voor gemeenteraadsverkiezingen. In Schotland mogen zestienjarigen meestemmen voor het parlement en de gemeenteraad.

Lage opkomst

De opkomst onder de groep jongvolwassenen die al wel mag stemmen in Nederland, van 18 tot 24 jaar, is relatief laag. Dat komt volgens De Lange deels door de levensfase waarin ze voor het eerst mogen stemmen. „Daarin verandert veel: ze wisselen van school naar werk of gaan doorstuderen, ze gaan vaak uit huis. Dat is een ongunstig moment om iets fundamenteels als voor het eerst stemmen in te organiseren.” En van de jongeren die wél stemmen, is het grootste deel hoogopgeleid. Een punt van zorg, volgens De Lange. „We weten uit politicologisch onderzoek dat de eerste keer stemmen heel bepalend is voor of je politiek betrokken blijft. Gebeurt dat niet, dan is er een grote kans dat er later niet aangehaakt wordt in het democratisch proces.”

Een van de voordelen die De Lange noemt van het verlagen van de kiesgerechtigde leeftijd naar zestien jaar, is dat de leerplicht dan nog geldt en jongeren thuis wonen. Dat is een gunstigere context: „Je kunt ze dus goed begeleiden richting de eerste keer stemmen.” Maar het burgerschapsonderwijs moet daarvoor wel worden aangepast, is ook onderdeel van het advies. „Dat is nu vooral op kennis gericht, het zou ook moeten gaan om vaardigheden. Hoe ga je in debat, hoe verwerk je informatie, hoe weeg je argumenten af om tot een stem te komen?”

Nu worden burgerschapslessen in de bovenbouw van de middelbare school gegeven, dat zou eerder moeten beginnen. „In Oostenrijk beginnen ze daar vanaf twaalf jaar mee om leerlingen voor te bereiden op het moment dat ze mogen stemmen.” En, benadrukt De Lange, burgerschapslessen zouden een prominentere rol moeten spelen in het vmbo en mbo.

Het zijn nu vooral hoogopgeleide jongeren die meedoen aan de Nationale Jeugdraad of een jongerenraad in een gemeente, merkt De Lange op. „Het voordeel van de maatregel die wij voorstellen is dat het alle jongeren treft, ook die op het vmbo en mbo.”

In het advies schrijft de ROB dat de verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd ook kan bijdragen aan het voorkomen van „machtsmisbruik van een generatie ten opzichte van een andere” als er beleid wordt ontwikkeld op thema’s als pensioenen of klimaatverandering. De Lange: „Politieke partijen zijn electoraal gemotiveerd. Als zestienjarigen mogen stemmen, wordt er ook beter naar ze geluisterd.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.