Foto Aude Alcover / Hollandse Hoogte

De ‘bankier’ van Papendal is nu volwassen

Judo Tornike Tsjkadoea liet de discipline nog wel eens varen. Sinds hij het judo serieuzer neemt, presteert hij beter. Maar de EK vielen tegen.

Hij was een boefje, erkent Tornike Tsjkadoea, en als judoka net iets te ontvankelijk voor de geneugten van het leven. Maar met het temmen van zijn recalcitrantie werden zijn prestaties beter, hoewel het zaterdag in Minsk bij de Europese kampioenschappen even minder ging en hij werd uitgeschakeld in de herkansing. Tsjkadoea, de in Friesland geboren zoon van Georgische vluchtelingen, durft zichzelf desondanks weer topsporter te noemen.

De ironie wil dat de 22-jarige Tsjkadoea na zijn verhuizing van het Haarlemse judobolwerk Kenamju naar de nationale selectie op Papendal de discipline liet varen. Waar de ietwat lui aangelegde lichtgewicht (-60 kg) in Haarlem werd gecorrigeerd door arrivés als Henk Grol en Dex Elmont, verviel hij op het nationale sportcentrum nabij Arnhem al snel in zijn oude fout van gemakzucht.

„Tja, waarom”, vraagt Tsjkadoea zich twee jaar later nog steeds af. „Waarschijnlijk omdat ik op Papendal voor het eerst zelfstandig woonde. Die vrijheid kon ik niet aan. Ik liet mij verleiden tot gekkigheden: feesten, laat opblijven, trainingen overslaan als ik er geen zin in had. Ik verwaarloosde mijn voeding. Terugblikkend was ik niet toe aan een zelfstandig bestaan. Ik wist ook niet wat ik moest doen; ik deed maar wat.”

Dieptepunt

Het onvermijdelijke dieptepunt kwam in een nacht dat Tsjkadoea met een viertal judoka’s in hun gezamenlijke woonkamer door een bewaker bij illegaal kaartspelen werden betrapt. Om geld, welteverstaan, en Tsjkadoea beheerde de bank. Had-ie geleerd op de middelbare school in Amstelveen, waarheen hij als vijftienjarige vanuit Drachten was verhuisd. „Leuk spel, dacht ik, heb ik op Papendal geïntroduceerd.” En dan quasi serieus: „Ik moest mijn geld ergens mee verdienen.”

„Nee”, bezweert de judoka, „het ging allerminst om grote bedragen. Eén, hooguit twee euro als inzet. In de pot zat gemiddeld 20 euro. We speelden baccarat, ook wel Koerdisch poker genoemd, en blackjack. Nee, nu niet meer, ben je gek. Die tijd is voorbij, daar heb ik een dikke punt achter gezet. Al mijn aandacht gaat uit naar judo. Ik ben nu de topsporter die ik behoor te zijn. Ik moest wel, want als ik ermee door was gegaan zou ik niet bij deze EK zijn geweest. ”

Die bewustwording kwam na het nachtelijke kaartincident, na een confronterend gesprek met de coachstaf. Het was kiezen of delen: de regels strikt volgen of uit de nationale selectie gegooid worden. In zijn woorden: „Ik mocht geen rare dingen meer doen, zoals laat opblijven, school verwaarlozen en trainingen verzuimen. Dat was een lastige omslag, want ik kon niet langer doen waarin ik zin had. Ik moest wel, anders zou ik er uit gekickt worden.”

Zijn resultaten weerspiegelen de metamorfose van Tsjkadoea. De ‘bankier van Papendal’ is volwassen geworden en leeft naar de regels van topsport. Na een crisisjaar qua prestaties heeft Tsjkadoea ook op de judomat de weg omhoog gevonden, met als uitschieters zeges bij een grand prix in Mexico en een derde plaats in Düsseldorf, zijn eerste medaille op een grandslamtoernooi. Prettig neveneffect: Tsjkadoea staat in de top-10 op de olympische ranglijst, de maatstaf voor uitzending naar de Spelen van 2020 in Tokio.

Tsjkadoea’s kracht? Dat hij de Georgische en Nederlandse stijl verenigt. De Georgiër in hem zoekt het lijf-aan-lijf-gevecht, terwijl de Nederlandse school zijn techniek heeft verfijnd. Die elementen, gevoegd bij zijn „kracht en gevoel voor judo” maken hem sterk. Wat dat gevoel precies inhoudt? „Zoals Lionel Messi gevoel voor de bal heeft, heb ik dat voor judo; het werkt instinctief.”

Zijn vader was judoleraar

Een eigenschap die vader Tsjkadoea als oud-judoleraar al vroeg herkende in de middelste van zijn vijf kinderen. Die leerde hem op jonge leeftijd de eerste judoworpen, waarna Tornike lid werd van een judovereniging in Drachten. „Mijn vader heeft me richting judo gepusht”, zegt Tsjkadoea. „Ik heb ook gevoetbald, maar daar was ik niet goed in. Dat vereenvoudigde mijn keus voor judo, hoewel ik het rond mijn veertiende niet meer leuk vond. Nóg harder trainen, dat was te veel gevraagd. Uiteindelijk ben ik toch doorgegaan, omdat men zei dat ik talent heb en ik er veel tijd en energie had ingestoken. Stoppen was eigenlijk geen optie.”

Zijn stijgende lijn kon Tsjkadoea bij de EK niet voortzetten. Hijzelf schrijft de vroegtijdige uitschakeling toe aan een val op zijn hoofd in de eerste partij tegen Karamat Huseynov uit Azerbajdzjan. Met duizelingen en een misselijk gevoel moest hij verder, waarna uitgerekend twee Georgiërs hem de weg naar het podium versperden. In de kwartfinale verwees Lukhumi Chkhvimiani hem naar de herkansing, waarin Amiran Papinashvili de deur naar een bronzen medaille in het slot gooide. De teleurgestelde Tsjkadoea was kort maar helder in zijn analyse: „Het was in één woord waardeloos.”