Foto Frank Ruiter

Pitreporter Jack Plooij: wat ik doe is ook een soort topsport

Lunchinterview Jack Plooij (58), tandarts en een van de weinige pitreporters in de Formule 1, schreef een boek over zijn werk. „Je moet iemands aura voelen, wéten waar iemand op aanslaat en dan, bám, zeg je wat er in je opkomt.”

Zondagmiddag, 12 uur. Door de duinen, over het strand, lopen we naar strandtent Beach in Noordwijk. Toffe tent volgens Jack Plooij (58), doordeweeks tandarts en implantoloog, in het weekend pitreporter in de Formule 1 voor Ziggo-Sport, en in de avonduren theaterman. Met zijn vaste televisiecollega Olav Mol vertelt hij in uitverkochte theaters over het circus waarvan ze samen al decennia onderdeel zijn: een miljoenenverslindende karavaan van rijders en reporters die langs de circuits van Mexico, Abu Dhabi en Monaco trekt, daar elke veertien dagen even een Olympische Spelen houdt en weer doorreist. In zijn boek Verhalen uit de pits vertelt hij hoe hij zich als pas-afgestudeerd tandarts een plek in die pits verwierf.

Wereldwijd zijn er misschien veertien pitreporters, mannen (en een enkele vrouw) zoals hij die vrije toegang krijgen tot de pits en paddocks langs de racebanen, die zich mengen tussen de monteurs en miljonairs en die na elk trainingsrondje of gewonnen race als eersten vragen mogen stellen aan de racers, die qua sterrenstatus en salaris menig topvoetballer overschaduwen. Een begerenswaardig baantje, dat zeker. Maar minder heroïsch dan het lijkt. Voor de Grand Prix van Canada (in het weekend van 9 juni) vloog hij voor vier dagen op en neer. Daarna niks jetlag, maar „werken in de tandenwinkel”, theatertour, boektournee, om deze donderdag weer op het vliegtuig naar Marseille te stappen en vanaf daar per huurauto door te rijden naar circuit Paul Ricard in Le Castellet, een plaatsje „midden in nergens”.

Hij weet nu al hoe dat gaan zal: eerst met honderdduizend man urenlang op één enkele rijstrook in de file staan om er überhaupt te komen, en ’s avonds na afloop van de race weer. Geen hotel of restaurant in de buurt te bekennen, dus hij zit mooi met presentator Olav Mol, hun vaste cameraman en vaste technicus in een huurhuisje. „Pak diepvriesmacaroni in de achterbak om de eerste avond door te komen en de dag erop naar de Carrefour om ons eigen potje te kunnen koken.”

In de schaduw van een palmboom zitten we op het terras. Cappuccino voor hem, het koekje erbij breekt hij in kleine stukjes en doopt die, één voor één, in de schuimlaag. Wrijft in zijn handen: wat zullen we eens nemen? Hij dacht zelf aan een tosti en ik ook.

Wat nogal opvalt, zeg ik, is het grote, om niet te zeggen enorme contrast tussen de luxe in de hospitality-tenten langs de racebaan, de rijkdom van de sponsors en gasten die zich laten fêteren op oesters en champagne, de peperdure, hypermoderne technologie van de racewagens, de honderden miljoenen euro’s die televisiestations betalen om de races uit te zenden, en de bijna houtje-touwtje-achtige manier waarop Jack Plooij dat allemaal verslaat. Met vier man maken ze zes programma’s per weekend. Olav Mol geeft live commentaar bij de race vanuit een pershok, Jack Plooij is oog en oor in de coulissen. De Duitsers, lacht hij, die komen met vijftig man. „Elke ochtend telebriefing met de redactie in Keulen, daar zit ook nog dertig man. Tach-tig man voor vier tv-uitzendingen. Daar wordt het niet beter van.”

Iemands aura voelen

Hij begint er zelf maar over, zegt hij. „Want je zal er wel over beginnen.” Het verwijt dat hem achtervolgt, is dat hij de racers niet tegemoet treedt als journalist, maar als fan, of „geile puppy” (in het tv-programma Makkelijk scoren). Een compilatie van zijn openingszinnen bij interviews met race-held Max Verstappen zijn zelden een vraag, vaak een constatering, meestal een compliment. ‘Wát een geweldige race reed jij daar.’ ‘Géwéldig’. ‘Jij bent slimmer dan de rest’. Die compilatie, zegt hij, dat is satire. „Als je daar niet om kan lachen, ben je echt een hork.” Ben ik een journalist, vraagt hij zichzelf. Nee, antwoordt hij. „Ik heb er niet voor gestudeerd.” Hij is meer verslaggever, help ik. Precies, zegt hij. Weet je wat het is, zegt hij weer: „Wat ik daar in de pitstraat sta te doen, is ook een soort topsport.”

Hij heeft de tijd meegemaakt dat verslaggevers los mochten rondlopen langs de pits en, in het wild, de racers konden aanschieten. Sinds 1996 moeten cameraploegen en journalisten zich verzamelen op één vierkantje, the pen noemen de Engelsen het, oorspronkelijk een omheind stuk grond waar het vee wordt samengedreven. „Na de race lopen de diva’tjes een rondje om dat vierkant heen. Praatje tegen de camera van de Japanse tv, de Duitse, de Engelse, de Koreaanse. Zes, zeven, acht keer hetzelfde riedeltje op steeds dezelfde vraag.”

En dan is het Jack Plooijs beurt. Dertig seconden om iets teweeg te brengen. Dertig seconden om de racer iets te ontlokken. „Dat lukt alleen als al je registers openstaan. Je moet iemands aura voelen, wéten waar iemand op aanslaat en dan, bám, zeg je wat er in je opkomt.” Dat kan zijn: ‘Wat heb je rare schoenen aan’ of een simpele felicitatie. „Het gaat niet om de vraag, maar om het antwoord.”

Wat mensen wel eens vergeten, zegt hij, is dat we elke veertien dagen anderhalf uur live televisie maken voor anderhalf miljoen kijkers. Anderhalf miljoen scheidsrechters die vanaf de bank commentaar hebben op hoe hij het doet en wie hij is, en dat het internet op smijten. Ja, dat kwetst hem. Door de kritiek van die „toetsenbord-warriors” is hij gaan nadenken over wat het nou precies is wat hij doet. Tenslotte is hij ook maar bij toeval die racerij ingerold.

Aan de oren de baan opgesleept

Eind jaren tachtig was het, hij was afgestudeerd als tandarts, maar in Amsterdam, waar hij geboren is, was geen plek voor hem. Dus week hij, met zijn vrouw, uit naar Duitsland en promoveerde ondertussen aan de Nijmeegse universiteit. Nou wilde het geval dat de auto waarmee hij dagelijks de grens overstak in onderhoud was bij de garage van Equipe Verschuur, het Nederlandse raceteam dat in Renaultjes 5 turbo reed. Een „kolerezooi”, de organisatie rond dat team, dus dat ging hij wel doen. En zo kwam het dat hij, inmiddels racefanaat, zich verstopte in een pitbox van een Formule 1-team op het circuit van Monza om de echt grote jongens van nog dichterbij te kunnen bekijken. En toen tikte Olav Mol, de stem van Studio Sport, hem op de schouders. „Hij bedacht dat ik, als pit-spion, hem via de walkietalkie kon doorbrieven wat ik zag en hoorde. Lekke band, die is boos op die, hij is uitgevallen door zijn wielophanging.” Pas twee seizoenen later werd wat officieus begon een officiële, betaalde (bij)baan en dertig jaar later doet hij het nog steeds.

En hoe hij dat doet, vindt hij goed omschreven bij Frank Farrelly, een Amerikaanse sociaal therapeut, de grondlegger van de provocatieve therapie. Bij die methode probeert de behandelaar met een grap, of belediging, of in elk geval iets onverwachts de patiënt even zo te ontregelen dat het gesprek als vanzelf op gang komt. Het is geen trucje, zegt hij, maar zijn natuurlijke manier van communiceren. Wat vast ook helpt, zeg ik, is dat hij de vaders van de huidige generatie rijders al meemaakte. Michael Schumacher (zoon Mick), Jos Verstappen (zoon Max). Of hij stond, bekertje koffie in de hand, langs de kartbaan met de vaders van Lewis Hamilton, Jenson Button, Max Verstappen.

Lees ook: Hoe een provocatief gesprek à la Jack Plooij therapeutisch kan werken

Zijn eigen zoon, Michael, kartte ook. Die moest en zou natuurlijk van z’n vader met alle geweld de kartbaan op, provoceer ik plompverloren. Klopt, zegt hij. „Hij was vier, verschrikkelijk ziek en niemand wist wat hem mankeerde. De kinderarts, een maat van mij, heeft hem opengemaakt. Alle lymfeklieren in zijn buik ontstoken. De oorzaak? Geen idee. Eind van het liedje was dat ze hem weer dichtmaakten en antibiotica gaven. Dan denk je: nu knapt dat jochie op. Maar hij bleef maar slap en suf en ellendig. Toen dacht ik: daar moet olie in, ik moet hem laten vechten. Dus ja, ik heb hem aan de oren de baan op gesleept. Huilen dat hij deed. Hij wou niet, hij durfde niet, hij won niet. Maar hij werd wel beter. Op z’n dertiende sloeg hij door naar de andere kant. Wilde hij wereldkampioen worden. Toen heb ik hem er onmiddellijk afgehaald.”

Huh, hoezo? „Dat racen ging ten koste van zijn persoonlijkheid. Hij begon praatjes te krijgen. Arrogant. Ik heb hem op hockey en voetbal gedaan. Daar heeft hij geleerd dat je een overwinning moet delen.”

Gefröbel op de vierkante millimeter

Geldt dat niet voor alle rijders, dat ze praatjes krijgen? Nee, zegt hij. „Het zijn geen Ronaldo’s of Messi’s. Jongens als Lewis onttrekken zich aan al die heisa eromheen. Die gaat na de race lekker een potje golfen, of pakt z’n privévliegtuigje terug naar Monaco.” Die heisa maakt zijn werk ook niet makkelijker, zeg ik. In zijn boek lees ik dat verslaggevers één vraag aan een rijder mogen stellen. En als het de verkeerde vraag is, vragen ze voorlopig helemaal niks. De FOM, de eigenaar van Formule 1, is een eigen videokanaal begonnen en wil met eigen verslaggevers de Grand Prixs verslaan. Hoeveel zin heeft het dan nog voor Jack Plooij om op dat vierkantje te wachten op een snippertje nieuws? Hij lacht en zegt dat hij, handig als hij als tandarts is in „gefröbel op de vierkante millimeter”, het een sport vindt om zoveel mogelijk van die „mannetjes en hun machientjes” te laten zien. „Maar inderdaad, het Formule 1-circus is gigantisch geworden.” Hij moet nog maar zien hoe dat gaat, als volgend jaar 200.000 man afkomen op het circuit van Zandvoort voor de eerste Nederlandse wedstrijd sinds jaren. Hij heeft met zichzelf afgesproken dat hij de huidige generatie rijders nog volgt en er dan mee uitscheidt. En dan denkt hij, gelooft hij, of nee, hoopt hij dat hij nog mag meemaken dat Max, die hij nog als jochie heeft gekend, het wordt. Wereldkampioen. „Dát zou ik hem gunnen.” En zichzelf trouwens ook.