Recensie

Recensie

Erger dan een dictator? Dat is zijn entourage

    • Michel Krielaars

Joseph Roth Zijn reisreportages uit Albanië, Zuid-Slavië en Italië in 1927-1928 zijn een handleiding voor het doorgronden van een dictatuur.

De Albanese politie probeert in een lege straat het verkeer te regelen.
De Albanese politie probeert in een lege straat het verkeer te regelen. Illustratie uit besproken boek

Ook als journalist was Joseph Roth (1894-1939) een schrijver. Interviews vond hij een zwaktebod. Hij noemde dat genre ‘de gemakzuchtige toeverlaat voor journalistieke verlegenheid.’ Je moest waarnemen en objectief verslag doen. Roth kon het als geen ander, zoals blijkt uit Charleston op de vulkaan. Reportages uit Albanië en Italië, de zesde door Els Snick samengestelde bundel journalistieke stukken.

Je zou willen dat iemand zo scherpzinnig over autoritaire leiders van nu schreef als Roth in 1927 deed over de Albanese president Ahmed Zogu, de latere koning Zog I. Zo lees je in zijn verslag van zijn ontmoeting met hem: ‘Conform de etiquette waardoor staatshoofden aan hun schrijftafel gebonden zijn, komt Ahmed Zogu anderhalve pas voor zijn bureau staan.’ Er worden beleefdheden uitgewisseld, er wordt gebogen. En dan zegt de president ineens dreigend dat hij van verslaggevers de waarheid verlangt. Waarop Roth antwoordt dat die relatief is: ‘Wat voor de een waar is, noemt de ander een leugen.’ Het zou zo over de MH17 kunnen gaan.

Genadeloos is Roth ook voor de medewerkers van de dictator: ‘Het schijnt trouwens dat Ahmed zelf minder dictatoriaal is dan zijn entourage, die ervarener, verstandiger, meedogenlozer is dan hij en voor het merendeel een jarenlange Turkse scholing genoten heeft.’ Om te vervolgen met: ‘Van alle eigenschappen die dictators niet zozeer sieren als wel kenmerken, lijkt de president van de Albanese republiek alleen de angst te kennen voor zijn land – waarin je niet eens een dictator hoeft te zijn om toevallig te worden doodgeschoten.’

In een van zijn verslagen benadrukt Roth dat je een oosters land als Albanië ‘waar de geschiedenis bestaat uit onderdrukking, traditie gelijkstaat aan corruptie en cultuur een mengsel vormt van bucolische gezelligheid, romantische onschuld en complotten uit onbekende hoek’ niet kunt beoordelen met een West-Europese, democratische blik. Hij laat de dingen daarom voor zich spreken en schrijft dat ieder ander die president van Albanië zou zijn geweest even dictatoriaal zou hebben geregeerd als Zogu.

Gevoel voor het absurde

In iedere reportage valt Roths gevoel voor het absurde op. Zo beschrijft hij met mededogen een politieagent, die met sneeuwwitte handschoenen midden op een lege straat staat te wachten op het verkeer dat maar niet komt.

Lees ook: ‘Joseph Roth was de ultieme hotelmens’

Al ontwaart Roth in Tirana de oprukkende beschaving, op het platteland blijkt alles nog net zo te zijn als eeuwen geleden. Pachters betalen er, net zoals de stedelijke ambachtslieden, steekpenningen aan de belastingontvangers. De rijken eigenen zich de beurzen toe van hun kinderen die in het buitenland gaan studeren. Opnieuw zie je parallellen met het Oost-Europa en Rusland van nu, waar geen ondernemer veilig is voor corrupte ambtenaren en de elite de staatskas als zijn portemonnee beschouwt.

Evenzeer de moeite waard zijn Roths reportages uit Zuid-Slavië, met zijn dictatoriale, geldverslindende koning, en uit Italië, waar het portret van de ijdele Mussolini je overal toegrijnst en iedereen elkaar uit angst bespioneert.

Belgrado geldt in die tijd als het Parijs van de Balkan. De jonge mannen zijn er elegant gekleed en staan uren voor de spiegel. Die elegantie geldt ook voor de vele journalisten die Roth er ontmoet. Pas als hij schrijft dat er in Belgrado een geheimzinnige relatie bestaat tussen de geschiedenis van het land en het loon van de verslaggever, besef je dat die door de staat wordt betaald. En als hij aan iemand vraagt waarom Zuid-Slavië zo’n dure koning nodig heeft, krijgt hij te horen: ‘Omdat ons volk nog niet ver genoeg is om democratisch geregeerd te worden.’