De verloren strijd van de Poolse mijnwerkers

Kolen in Polen De identiteit van de Sileziërs in het zuiden van Polen is nauw verweven met de kolenmijnen. Polen verzet zich fel tegen de klimaatambities van de Europese Unie, ook al beseffen zelfs de jonge mijnwerkers dat aan hun traditie spoedig een einde zal komen.

Poolse mijnwerker bij een mijn nabij Katowice.
Poolse mijnwerker bij een mijn nabij Katowice. Foto Bartek Sadowski/Bloomberg

Konrad Kolakowski wilde eigenlijk mijnwerker worden, zoals bijna alle mannen in zijn familie. Generatie op generatie. „Maar het werk in de mijnen gaat tegenwoordig allemaal met machines en robots en ik ben niet zo goed in wis- en natuurkunde”, zegt hij lachend. In plaats daarvan studeerde Kolakowski (28) geschiedenis en nu combineert hij zijn liefde voor verhalen vertellen met die voor de steenkoolmijnen van Opper-Silezië. In voortreffelijk Engels geeft de Pool rondleidingen door „het eerste, grootste en diepste kolenmijnmuseum ter wereld” in het stadje Zabrze.

Hij bedient imposante graafmachines, kruipt door claustrofobisch makende gangen en vertelt over de gevaren van instorting, water en methaangas en de ongelukken die hier hebben plaatsgevonden. En hoe de Silezische identiteit al ruim tweehonderd jaar verbonden is met „het zwarte goud” dat hier uit de grond wordt gehakt en getakeld.

Kolakowski is geen ‘klimaatontkenner’. Hij beseft dat steenkoolwinning en -verbranding bijdragen aan de opwarming van de aarde. Maar zegt er meteen bij: „Voor het oplossen van het klimaatprobleem moet je niet bij ons zijn.” Maatregelen zoals het sluiten van mijnen mogen wat hem betreft absoluut niet van bovenaf, door Warschau of Brussel, worden opgelegd.

Dat bleek donderdag ook de opstelling van de Poolse premier Mateusz Morawiecki. Tijdens de EU-top in Brussel blokkeerde hij een voorstel om klimaatneutraliteit na te streven voor 2050. Polen, dat na Duitsland de grootste kolenindustrie van Europa heeft, weigert te beloven dat het over ruim dertig jaar geen CO2 meer uitstoot.

Sinds Morawiecki’s partij, Recht en Rechtvaardigheid, vier jaar geleden aan de macht kwam, zijn de toch al bescheiden groene ambities van Polen ingezakt. Investeringen in wind- en zonne-energie werden stilgelegd. Beleid om verstikkende luchtvervuiling aan te pakken faalt. En er is geen plan of streefdatum voor het geleidelijk afbouwen van de kolenwinning.

Mijnbouw – met grote vakbonden en forse lobbykracht – wordt met honderden miljoenen euro’s per jaar gesubsidieerd. Wie in deze dichtbevolkte regio belooft mijnen open te houden, kan op veel stemmen rekenen. Ook van Kolakowski en zijn leeftijdsgenoten. In tegenstelling tot landen waar scholieren de straat op gaan om te demonstreren voor een beter klimaat, zorgt het thema in Polen niet voor een generatieconflict.

Geweldig startsalaris

Sinds het einde van het communisme in 1989 en de EU-toetreding van Polen in 2004 zijn veel verlieslijdende mijnen gesloten, waaronder die in Zabrze. In Silezië werken nog steeds tienduizenden mensen ondergronds, vier keer zoveel banen zijn van de sector afhankelijk.

Het zuidwesten van Polen is tegelijk het gebied dat het meest lijdt onder de gevolgen: van smog en vervuild water tot aardbevingen en verzakkingen die net als in Groningen huizen vernielen. Maar nog altijd worden nieuwe mijnen geopend. En nieuwe mijnwerkers opgeleid.

Op een mbo in Knurów was de leergang tot mijnwerker drie jaar geleden gesloten. Gebrek aan belangstelling en werkperspectief. Maar vorig jaar heeft de nabijgelegen kolenmijn gevraagd, en betaald, een nieuwe klas van elf leerlingen te vullen.

De mijnwerkers in spe vertellen om twee redenen voor het vak te kiezen: traditie en geld. „Het is onderdeel van onze cultuur. Het is hier zeer gerespecteerd en kent veel kameraadschap”, zegt Seweryn Marcalik (17). „En afhankelijk van wat je baan wordt, kun je 6.000 zloty per maand verdienen.” Een startsalaris van 1.400 euro is voor Polen ongekend hoog. De enige andere manier om dat te verdienen, is werk zoeken in West-Europa, maar dat vindt Marcalik „niet patriottisch”.

Argumenten tegen het verbranden van fossiele brandstoffen wuift hij met zijn klasgenoten in eerste instantie weg. „Het valt wel mee” en „het is hier minder smerig dan vroeger”. De donkergrijze deken van vervuiling die vroeger over het gebied lag, is inderdaad opgetrokken. Het landschap tussen de stalen mijntorens is glooiend en groen. Schade is verstopt onder de grond en in onzichtbare fijnstof.

Toch ontkent geen van hen het verband tussen kolen, CO2-uitstoot en klimaatverandering. En ze beseffen heel goed dat mijnbouw eindig is – ook hier. De scholieren denken niet dat hun kinderen en kleinkinderen in hun ondergrondse voetsporen zullen treden. Zij vinden alleen niet dat de eerste en de grootste offers van henzelf moeten komen.

„Op lange termijn houden we natuurlijk op met kolen uit de grond halen”, zegt Denis Barszcz (17). „Maar de komende 25 jaar moet toch nog kunnen?” Dat is precies de werkzame periode waarna mijnwerkers met pensioen mogen. Meer nog dan voor hun toekomstige baan, zegt Marcalik te vrezen voor „de vernietiging van de onze mijnwerkerscultuur”.

Anna Fraczyk herkent het nostalgische gevoel. „Kolen zijn hét symbool van de identiteit in Heimat Silezië”. Fraczyk (30) groeide op in Katowice. Toen ze besloot naar Warschau te verhuizen en als jurist voor milieuorganisatie Client Earth aan de slag ging, zorgde dat voor felle discussies binnen haar familie. Intussen merkt ze kleine veranderingen als ze Silezië bezoekt. „De gevolgen van klimaatverandering zijn de laatste jaren zo zichtbaar, dat zelfs mijn vader het niet meer ontkent.” Polen kampt met steeds intensievere stormen. Afgelopen winter heeft het nauwelijks gevroren of gesneeuwd. Terwijl in mei de rivieren overstroomden, is het de eerste weken van juni bijna elke dag warmer dan 30 graden.

„Mensen, vooral jonge mensen, beseffen dat de mijnbouw zal ophouden te bestaan. Al is het maar omdat de voorraad die rendabel uit de grond gehaald kan worden over 30 à 40 jaar op is. Maar ze zien voorlopig geen alternatief omdat de politiek niet nadenkt over een eerlijke transitie”, zegt Anna Fraczyk.

Foto Bartek Sadowski/Bloomberg

Energie-onafhankelijkheid

Bij de Wesola-mijn in Myslowice zit de werkdag er rond drie uur in de middag op. In hun vakbondskantoor lepelen de jonge mannen die hier werken hun repertoire aan argumenten tegen het sluiten van de mijnen op. Het zijn, zo zeggen zij, niet de producenten maar de consumenten van fossiele brandstoffen die uiteindelijk voor de uitstoot zorgen.

Zich schikken naar de wensen van Brussel, zou op korte termijn alleen maar zorgen voor meer „inferieure” kolen uit Rusland. „Zolang de Poolse economie draait op kolen, moeten die hier uit Silezië komen. We willen voor onze energie nooit afhankelijk zijn van Rusland”, zegt Bartlomiej Stein (39).

De Poolse regering gebruikt het schrikbeeld van de Russische vijand graag. En verzet zich fel tegen de omstreden Nord Stream-gaspijpleidingen tussen Rusland en Duitsland. Maar Polen is zelf helemaal niet energie-onafhankelijk. Zo’n kwart van de hier verstookte kolen zijn Russisch.

Polen is niet alleen producent van steenkool, ook grootverbruiker. De grootste energiecentrale van Europa, de op één na grootste van de wereld, staat in Polen. En de regering doet weinig om die centrale, de industrie en huishoudens efficiënter en minder vervuilend te maken. Een relatief eenvoudige stap om minder van import afhankelijk te zijn. Alleen de Bulgaarse en Estse industrie kennen een relatief hogere koolstofuitstoot. En veel Poolse huizen worden verwarmd met kleine kacheltjes waarin kolen, maar ook hout en huisvuil worden verbrand. „Voor de eenvoudigste maatregelen ontbreekt de politieke moed”, zegt Anna Fraczyk. Ook het dwarsliggen in Brussel is daarvan een symptoom.

Museumgids Konrad Kolakowski ziet de Silezische mijnwerker ondertussen vooral als slachtoffer van grotere machten. „Dat kolen slecht zijn is gewoon propaganda. Van het Westen, dat onze bedrijfstak om zeep wil helpen en ons hun windmolens wil verkopen. En van het Oosten, dat ons hun kolen en gas wil opdringen.” Tegelijkertijd beseft hij ook dat hij over een aantal jaren misschien als enige in zijn familie nog werk heeft, 320 meter onder de aardkorst. „Dit museum zal langer openblijven dan de andere mijnen.”