Brede steun voor minder snelle vrijlating

Vervroegde invrijheidstelling Minister Dekkers voorstel gevangenen niet al na twee- derde van de straf vrij te laten krijgt na eerdere kritiek nu toch veel steun in de Kamer.

Het Justitieel Complex Zaanstad is de grootste en modernste gevangenis van Nederland.
Het Justitieel Complex Zaanstad is de grootste en modernste gevangenis van Nederland. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Wat bij het aantreden van minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD) bijna twee jaar geleden één van zijn meest omstreden plannen was, werd donderdag bijna geruisloos in de Tweede Kamer besproken. Dekkers wetsvoorstel om gedetineerden voortaan pas in de laatste twee jaar van hun gevangenisstraf onder voorwaarden vrij te laten kan inmiddels rekenen op brede steun van coalitie én een deel van de oppositie. Nu kunnen gevangenen nog na tweederde van hun straf onder voorwaarden vrijkomen.

Protest van advocaten, die zich eerder zeer mondig tegen het plan hadden gekeerd, was er donderdag niet. Pleidooien van juristen en behandelaars om het plan tegen te houden ook niet. En Kamerleden die zich eerder fel tegen het plan hadden gekeerd, zoals SP’er Michiel van Nispen, waren een stuk milder en lieten weten dinsdag bij de stemming niet per definitie tegen te stemmen.

Waarschuwing Raad van State

Hoe anders was het de afgelopen tijd. Want waarom moest het stelsel überhaupt op de schop? Had een door de Tweede Kamer verzocht onderzoek van de Rotterdamse Erasmus Universiteit niet geconcludeerd dat het huidige systeem werkte? Veroordeelden bleven nog jaren, eenderde van hun oorspronkelijke straf, onder toezicht van justitie. Wie z’n voorwaarden schond, zo’n 5 procent, werd weer in detentie geplaatst.

Na de presentatie van het regeerakkoord, najaar 2017, waar dit plan onderdeel van uitmaakt, zei toenmalig reclassering-directeur Sjef van Gennip te vrezen dat er door het plan „meer ongeleide projectielen” op straat zouden komen. De Raad van State deelde die vrees en wees erop dat zware gevallen „zonder betekenisvolle begeleiding” vrijkomen. Ook onder meer de Raad voor de Rechtspraak en de Orde van Advocaten waren daar kritisch over.

Naar kritiek geluisterd

Zulke kritiek was er donderdag ook – niet alleen van oppositieleden als SP’er Michiel van Nispen, maar ook van ChristenUnie-Kamerlid Nico Drost en Maarten Groothuizen van D66. Het was niet hún wet, zeiden de twee leden van de coalitie: maar ze zagen voldoende wat hun wel beviel.

Dat komt vooral doordat Dekker zich de oorspronkelijke storm van kritiek aangetrokken lijkt te hebben. De termijn moet nog steeds ingekort: volgens hem omdat het „niet uit te leggen is dat gedetineerden vroeger vrijkomen dan hun celstraf”. De „samenleving” zouden dat „niet begrijpen”. „Vergelding” moet belangrijker worden, vindt hij, net als de belangen van slachtoffers – twee bredere trends in hoe de politiek over strafrecht spreekt.

Maar de wet die donderdag werd besproken was veel méér dan alleen een inkorting van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Hier tegenover staat dat gevangenen voortaan vanaf dag één aan hun terugkeer moeten gaan werken met een ‘persoonsgerichte aanpak’. Ze komen in een ‘basisprogramma’: wie zich goed gedraagt en meewerkt aan programma’s voor resocialisatie, ‘promoveert’ naar ‘plusprogramma’s’. Dat maakt voorwaardelijke invrijheidstelling in de laatste twee jaar van een straf aannemelijker. „Goed gedrag gaat lonen”, zei Dekker, die een voor hem belangrijke hervorming binnenhaalt.