Beste jeugd, let toch op de leeftijd!

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: CBS-berichten.

Edith Piaf trouwde met een veel jongere man, en stierf een jaar later.
Edith Piaf trouwde met een veel jongere man, en stierf een jaar later. Foto Anefo

‘In tien jaar tijd is het aantal 40-plussers waarvan beide ouders nog leven met de helft gestegen. Nog steeds nemen kinderen hun ouders niet snel in huis. In veel van de 182.000 gevallen zijn de kinderen alleenstaand.”

Dit CBS-bericht, destijds rechtstreeks overgenomen van NOS Teletekst, hing óók al een tijdje op het prikbord. Het was er vijf jaar geleden opgeprikt, op 1 juli 2014 om precies te zijn, en sindsdien is er nog geregeld peinzend naar gekeken.

Er was ongetwijfeld verband tussen de drie zinnen, maar het fijne kwam je niet te weten. Zou het goed nieuws zijn of een bittere tegenvaller? Trof het vooral de plussers of juist de ouders? Hoe zou dit aflopen als het doorging zoals het nu ging? Vooral als ’s nachts de slaap niet komen wou gingen de vragen knagen.

Eergisteren bleek waarachtig nog een onverkorte versie van het NOS-bericht te vinden. „Meeste veertigers hebben ouders nog”, stond erboven. Maar de eerste zin was: „Steeds meer 40-plussers hebben beide ouders nog.” Twee zinnen verder stond: „De stijging is ‘enorm’, vindt het CBS.” Direct daarachter: „Van de veertigers heeft 54 procent beide ouders nog. In 2003 was dat 40 procent.” Het verstand stond erbij stil. Dan had je toch liever de korte versie van het bericht.

Droevig lot

Ziehier het droevig lot van CBS-onderzoek. De betreffende persberichten bieden (1) noodgedwongen maar een selectie van de beschikbare resultaten, ze zijn (2) daardoor meestal praktisch niet te bevatten, worden (3) van de weeromstuit gemaltraiteerd door de media en (4) maken dus niet duidelijk wat er nu gebeuren moet. Als er al iets gebeuren moet.

In het onderhavige geval had het zeker geholpen als een helder onderscheid was gemaakt tussen ‘veertiger’ en ‘40-plusser’ en als niet allerlei absolute aantallen (vorig jaar woonden 182.000 AOW’ers samen met hun kind) waren vermengd met percentages (13 procent van de zestigers heeft nog een levende vader). Dan nog slaagt geen mens erin dit soort informatie te onthouden.

Vorige week vroeg het CBS aandacht voor de ongunstige invloed van grote leeftijdsverschillen op de stabiliteit van relaties, althans van relaties die in samenwonen waren overgegaan – en dat uitsluitend voor Nederlanders die daaraan in 2003 waren begonnen. Hoe groter het leeftijdsverschil tussen samenwoners, hoe groter de kans dat het samenwonen niet lang duurt, vooral als het jonge mensen zijn met zo’n leeftijdsverschil en als het de vrouw is die de oudste is. (Samenwoners van gelijk geslacht kwamen in het bericht niet voor.) Wie er door zijn oogharen naar kijkt ziet het beeld wel ongeveer voor zich. Aardig genoeg blijkt een goede opleiding de malheur enigszins op afstand te houden. Hoogopgeleide samenwoners gaan veel minder snel uit elkaar dan laagopgeleide samenwoners, vooral de studie van de man werkt hier heilzaam. Echt domme mensen moeten maar liever helemaal niet gaan samenwonen als er een leeftijdsverschil is.

Een Griekse scheepsmagnaat

De huidige generaties kunnen hun voordeel doen met het vernuftige CBS-onderzoek, wij van de vorige generatie wisten natuurlijk allang dat er geen zegen rust op grote leeftijdsverschillen. In 1963 trouwde de zangeres Edith Piaf met een Griekse zanger die 20 jaar jonger was en een jaar later was ze dood. In 1968 trouwde voormalig first lady Jacqueline Kennedy met een Griekse scheepsmagnaat die 23 jaar ouder was en binnen zeven jaar was die ook dood. De Griekse operadiva Callas, die door de magnaat aan de dijk was gezet, mocht blij zijn dat ze deze boot gemist had, lang heeft ze er niet van kunnen genieten. In 1978 was het voorbij. Ja, je zou het de jeugd wel willen toeschreeuwen: let toch op het leeftijdsverschil bij het verliefd worden, het is allemaal zó vaak zó uitzichtloos.

Is alles wat telbaar is ook de moeite van het tellen waard? Daar zou je ook over kunnen nadenken, maar deze vraag houden we nog even in petto. Het geblader door oude CBS-studies leverde onverwacht een mooie bevestiging op van conclusies uit een stokoud AW-onderzoek. In november 1992 is in deze rubriek nagedacht over de vraag of Nederlanders in hun nageslacht nog geslachtsvoorkeur hadden. Hadden ze liever jongens dan meisjes als kinderen of net andersom of was het ze lood om oud ijzer? Als je de paren naar hun wensen vroeg kwam een lichte voorkeur voor jongens naar voren, keek je wat ze gedaan hadden dan verdween die voorkeur volkomen. Het CBS stuurde destijds een artikel uit 1988 op met een analyse van het nageslacht van duizenden Nederlandse vrouwen die na 1948 geboren waren. Dit was de truc: je moest nagaan hoeveel paren nog een derde kind hadden gekregen als de eerste twee kinderen van gelijk geslacht waren geweest. En wat bleek: als er twee meisjes waren was de kans dat er een derde kind kwam 44 procent. Waren er twee jongens dan was die kans ook 44 procent. Had de geslachtsgemeenschap tot dusver drie meisjes opgeleverd dan was er 25 procent kans op een vierde kind, waren er drie jongens: dan 24 procent, een verwaarloosbaar verschil. Duidelijker kun je het niet krijgen: het maakt Nederlanders niet uit. Het gaat ze om variatie, niet per se om jongens of meisjes.

Alsof er niet gebeurd was is de kwestie in 2010 opnieuw in onderzoek genomen, nu in een formelere aanpak met geboortetransities, logistische regressie, lineaire interacties en noem maar op, maar au fond met dezelfde opzet en met precies dezelfde uitkomst (Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2010). De vraag is of ze het deze keer wel kunnen onthouden.