Opinie

Psychische problemen en gebroken huwelijken in Groningen

Na het lezen van dit boek realiseert Michel Krielaars zich dat er ook een andere groep Nederlanders is die financiële steun nodig heeft.

Michel Krielaars

Eindelijk worden de vertalers gehoord door de politiek. Volgende week donderdag vindt in de Tweede Kamer een vergadering plaats over het cultuurbeleid 2021-2024, zeg maar over het geld waarmee de staat in die periode de Nederlandse cultuur gaat financieren. Meestal voeren tijdens de hoorzittingen, die aan zo’n bijeenkomst voorafgaan, vertegenwoordigers van de podiumkunsten het hoogste woord, want die tak van kunst kost veel geld en beschikt over listige lobbyisten. Ik heb me wel eens laten vertellen dat bij een kaartje voor de opera van 100 euro er 300 euro door de staat moet worden bijgelegd.

Dit keer gaat GroenLinks-parlementariër Corinne Ellemeet het opnemen voor een andere tak van hoge kunst: het vertalen. Het werd tijd. Want een vertaler, die een jaar lang in opdracht van een uitgever voltijds aan een boek werkt, krijgt soms net het minimumloon. Terwijl hij of zij voor het aan de Nederlandse lezer openbaren van een boek vaak even belangrijk is als de schrijver ervan.

Hopelijk maakt minister Ingrid van Engelshoven (D66) een paar honderdduizend euro vrij voor die vertalers, want anders zie ik de toekomst van de vertaalde literatuur somber in. Ik heb goede hoop, omdat ik haar eind vorig jaar tegenkwam bij de première van het toneelstuk dat het Nationale Theater van Tsjechovs verhaal Het duel had gemaakt. Als geen ander moet ze toen hebben begrepen wat voor een titanenwerk het is om Tsjechovs briljante zinnen in even mooi Nederlands te gieten. Dus: trek open die staatskas!

Dat ook een andere groep Nederlanders financiële steun nodig heeft, besefte ik bij het lezen van Ik wacht. 101 verhalen uit het aardbevingsgebied. Het is een verzameling interviews met getroffenen van de Groningse aardbevingen, gemaakt door verslaggevers van het Dagblad van het Noorden. Vaak lijken die verhalen op elkaar, maar om met Tolstoj te spreken: ‘alle gelukkige verhalen lijken op elkaar, elk ongelukkig verhaal is ongelukkig op zijn eigen wijze.’ Zo gaan de getuigenissen niet alleen over materiële schade, maar ook over psychische problemen en gebroken huwelijken, veroorzaakt door die aardbevingen. Menig romanschrijver kan er inspiratie aan ontlenen.

De ongelukkigen uit Ik wacht zijn intelligente mensen met de meest uiteenlopende beroepen, van consultant, universitair medewerker en accountmanager, tot akkerbouwer, kapper en schoonheidsspecialist. Ze delen het leed van de scheuren in hun huizen en de vaak onherstelbare of peperdure schade die er het gevolg van is. En dan is er nog iets dat hen verenigt: de staat wil de schade vaak maar tot een bedrag van 13.500 euro vergoeden, terwijl de gasbel van Slochteren tot dusver 300 miljard euro heeft opgeleverd en er toch genoeg over zou moeten schieten om de getroffenen ruimschoots te compenseren.

Bewonderenswaardig is dat de getroffenen zich niets wijs laten maken – wat wil je ook in een provincie met een verleden als bolwerk van sociaal-democratische, communistische en anarchistische opstandigheid. Ik wacht is daarom alleen al een bijzonder eerbetoon aan de mondige burger, die ten strijde trekt tegen een onmenselijke bureaucratie. Ontwaakt verworpenen der aarde, dacht ik voortdurend toen ik die 101 indringende getuigenissen las.