‘Val ons niet lastig met die bureaucratie’

Pauline Meurs Hoogleraar bestuur van de gezondheidszorg

Pauline Meurs houdt zich al lang bezig met de zorgsector. Die is niet voor iedereen even toegankelijk. „Je wordt van het kastje naar de muur gestuurd.”

Pauline Meurs: „Iedereen is tijdens het werk alleen nog maar aan het turven en afvinken.”
Pauline Meurs: „Iedereen is tijdens het werk alleen nog maar aan het turven en afvinken.” Foto Olivier Middendorp

Pauline Meurs merkte het toen haar 97-jarige moeder ziek werd: dat je erg je best moet doen als naaste van een patiënt om de weg te vinden en het beste te krijgen in de gezondheidszorg. Haar moeder kreeg, op bezoek in Bussum, een herseninfarct. Maar ze woonde in Den Haag. Ze werd opgenomen in een ziekenhuis in het Gooi en de kinderen, die er wonen, wilden dat ze daar bleef. Dichtbij. Maar dat kon niet: nee, mevrouw moest naar Den Haag. „We hebben ons echt moeten inspannen om haar daar te houden.” Uiteindelijk is ze, vrij snel, overleden in het Gooi.

Meurs wil maar zeggen: zelfs voor een hoogleraar bestuur van de gezondheidszorg is de zorg in de praktijk ingewikkeld.

Als íemand de wereld van de zorg kent, is het wel Pauline Meurs. Ze is toezichthouder bij een ziekenhuis, was commissaris bij een zorgverzekeraar en hield zich als Eerste Kamerlid voor de PvdA onder meer bezig met volksgezondheid. Ministers vragen haar geregeld voor commissies: nu weer één die het faillissement van het Slotervaartziekenhuis en de IJsselmeerziekenhuizen onderzoekt. Onlangs zwaaide ze af als voorzitter van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving.

Wat zijn de grootste problemen in de gezondheidszorg?

„Toegankelijkheid is er een. Het ís er allemaal wel, de medische zorg is heel goed, maar het is niet voor iedereen toegankelijk. Er zijn zo veel regels, zo veel loketten, je wordt van het kastje naar de muur gestuurd. Het is zó bureaucratisch. Ik denk dan: het is niet erg als er veel administratie is voor de overheid en de zorgverzekeraars. Maar val ons, burgers, patiënten, er niet mee lastig.”

Lees ook: Hoe controledrift gemeenten het werk in de jeugdzorg bijna onmogelijk maakt

De druk op familie van patiënten groeit.

„Alles moet thuis tegenwoordig – dat is het beleid. Er zijn zo veel verzorgingshuizen gesloten – we hebben daarmee echt het kind met het badwater weggegooid. Slechts 4 procent van de ouderen zit nu in een verpleeghuis. En daar gaat nu 2,1 miljard extra naar toe [de mensen die daar zitten, hebben meer zorg nodig]. Maar een deel van dat geld zou moeten gaan naar steun voor mensen in de wijken. Zorgen voor je familie wordt veel makkelijker als er formele hulp achter de hand is. Dat je iemand kunt bellen of inschakelen als het te veel wordt. Die is er te weinig.”

Intussen groeit de vraag naar zorg gestaag.

„Dat is het succes van de zorg: mensen leven langer en doen daardoor een groter beroep op de zorg. Ze overleven een hartaanval of kanker waar ze vroeger snel aan zouden overlijden. Maar vaak blijven ze patiënt. Wat ook gebeurt, is dat patiënten zo snel mogelijk uit het ziekenhuis worden ontslagen en dat instellingen als verpleeghuizen en ziekenhuizen alleen de allerzwaarste patiënten in huis hebben. Daardoor is de zorg zwaarder geworden voor het personeel. Het tekort aan verpleegkundigen en assistenten is echt een probleem.”

Artsen en verpleegkundigen worden gek van de administratie.

Zucht. „De medische zorg was in de jaren vijftig een gesloten bolwerk: je geloofde de arts op zijn blauwe ogen. Maar met de emancipatie van burgers en de uitbreidende verzorgingsstaat brak de maatschappij dat bolwerk open. Er kwamen protocollen en richtlijnen die horen bij professionalisering. Artsen moesten zich ook gaan verantwoorden voor de kosten en de kwaliteit. Maar je kunt het ook overdrijven: in Nederland zijn we altijd bezig te perfectioneren wat al goed functioneert. Dat is de tragiek van de goeie bedoelingen. Elk keurmerk – ‘Dit ziekenhuis is seniorenvriendelijk’ – heeft een goeie bedoeling, maar al die eisen en keurmerken bij elkaar opgeteld, pakken averechts uit. Verpleegkundigen moeten voortdurend checken of de patiënt pijn heeft. Terwijl je dat heus wel hoort als iemand pijn heeft. En als je dat doet omdat het moet, maar níet omdat je het nut ervan inziet, dan verwijs je naar de ander. De verpleegkundige zegt: het moet van de dokter. De dokter zegt: het moet van het bestuur. Het bestuur zegt: het moet van de verzekeraar. De verzekeraar zegt: het moet van de Nederlandse Zorgautoriteit.”

U maakt zich zorgen over toegankelijkheid, maar de armste delen van de bevolking maken het meeste gebruik van de zorg.

„Dat is óók waar. Zij zijn vaak veel te afhankelijk van het medische circuit. Vaak hebben ze te kampen met veel verschillende problemen: suikerziekte, obesitas, psychische problemen, verslavingen. Je zou ze meer sociale netwerken gunnen en minder medische afhankelijkheid. Werk, om te beginnen. Dat is het beste medicijn.”

Waarom wordt elk probleem – van druk gedrag tot zwanger worden of afvallen – gemedicaliseerd?

„Bij ADHD zie je dat als ouders en leraren last hebben van een druk kind, en er zijn voorzieningen [geld] en medicijnen voor, dan heeft iedereen er belang bij dat er een ‘medische indicatie’ komt. Je zou willen dat ‘samen beslissen’, wat nu zo wordt bepleit door medisch specialisten en patiëntenorganisaties, ook werd toegepast bij ouders van kinderen met ADHD. Samen beslissen gaat ervan uit dat je de patiënt goed voorlicht over de voor- en nadelen van een medische behandeling. Dat je samen afweegt wat het beste is. Soms is een medicijn niet het beste voor een druk kind. Je gunt de ouders, het kind en de leraar de rust die een medicijn als Ritalin brengt en sommige kinderen kúnnen echt niet zonder, maar de aantallen zijn zo groot. We zouden ons echt vaker moeten afvragen: accepteren we dit gedrag dat gewoon bij een levensfase hoort? Of grijpen we in?”

En ouderen die na hun 85ste nog geopereerd worden aan heup of tumor? Terwijl bijna de helft er nooit meer van opknapt?

„In algemene zin kun je je afvragen: willen we dit? Tegelijk gun je het elk individu dat een medische behandeling helpt. Daar hoopt de patiënt ook op. En de arts wil niet het gevoel hebben dat hij of zij de patiënt een behandeling onthoudt. Maar het moet altijd gaan over de persoon die voor je zit: heeft hij in deze omstandigheid baat bij de behandeling? De zorg gaat te veel uit van de gemiddelde mens. Het mág niet gaan over de gemiddelde persoon, op die leeftijd met die ziekte. Het moet elke keer gaan om het individu.”

Correctie (21 juni 2019): In een eerdere versie stond dat Pauline Meurs toezichthouder bij een ziekenhuis was. Dat is ze nog steeds.