Onderzoeksteam komt met smoking gun

Persconferentie JIT Nabestaanden zijn verheugd dat „de trein in beweging is gezet”, al blijft de kans dat verdachten voor een rechter verschijnen klein.

Een van de nabestaanden van de slachtoffers van MH17 beantwoordt vragen van journalisten vlak voor de persconferentie.
Een van de nabestaanden van de slachtoffers van MH17 beantwoordt vragen van journalisten vlak voor de persconferentie. Foto John Thys/AFP

De meeste nabestaanden zijn tevreden, na bijna vijf jaar wachten. Premier Rutte zei onmiddellijk na de crash van vlucht MH17 van Malaysia Airlines op 17 juli 2014 dat Nederland de onderste steen boven wilde halen, maar hoe geloofwaardig is dat als je te maken hebt met daders die vermoedelijk uit Rusland afkomstig zijn, een land dat ook nog eens op voet van oorlog verkeert met buurland Oekraïne? Toch is het internationale onderzoeksteam er nu in geslaagd vier mensen in staat van beschuldiging te stellen.

De drie Russen Igor Girkin, Sergej Doebinski, Oleg Poelatov en de Oekraïner Leonid Chartsjenko worden beschuldigd van twee misdaden. Ten eerste: „Het doen verongelukken van vlucht MH17, met de dood van alle inzittenden tot gevolg, strafbaar gesteld in artikel 168 van het Wetboek van Strafrecht.” Ten tweede: „De moord op de 298 inzittenden van vlucht MH17, strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.”

Dat vlucht MH17 vermoedelijk per ongeluk is neergeschoten, als gevolg van een blunder van de militairen, doet bij deze laatste beschuldiging niet ter zake – ook als een vijandelijk Oekraïens vrachttoestel was neergehaald, zoals wellicht de bedoeling was, was dit moord geweest.

Nabestaanden zijn verheugd dat, zoals voorzitter Piet Ploeg van de Stichting MH17 het verwoordt, „de trein in beweging is gezet”. De vervolging is een „start” die hard nodig was, zegt nabestaande Evert van Zijtveld. „Nog langer wachten zou het vertrouwen van veel nabestaanden in de rechtsgang hebben geschaad.”

Lees ook: Deze mannen zaten volgens het JIT achter ‘MH17

Verbetenheid

Wellicht is het succes te danken aan de vastberadenheid en de verbetenheid die veel nabestaanden onderzoekscoördinator Fred Westerbeke toedichten. Het zal ook te danken zijn aan de inzet van vijftig rechercheurs. Zij hebben forensisch onderzoek gedaan en driehonderd getuigen gehoord. Ze analyseren beelden van radar en satelliet en sociale media en luisteren grote hoeveelheden oude telefoongesprekken af. En nog steeds hopen ze op nieuwe getuigen.

Hoe dan ook, het zogenoemde Joint Investigation Team (JIT) zegt bewijzen te hebben dat de vier mannen een luchtafweerwapen, een Boek, uit Rusland naar het oosten van Oekraïne hebben laten komen en daarmee de levens van 298 mensen hebben beëindigd. De zaak tegen de vier is aangebracht bij de rechtbank in Den Haag. De eerste zittingsdag van het proces, dat wordt gehouden in de speciaal beveiligde rechtbank op Schiphol, is 9 maart 2020, onder voorzitterschap van rechter Hendrik Steenhuis. De kans dat de vier verdachten zullen verschijnen, acht Westerbeke niet groot. Er zal niet om hun uitlevering worden gevraagd, aangezien zowel Rusland als Oekraïne geen onderdanen uitlevert. Justitie wil de vier graag verhoren. Girkin en Doebinski hebben al laten weten geen aandeel te hebben gehad in de crash en niet mee te zullen werken.

De boodschap van de bijeenkomst woensdag was tweeledig: ten eerste dat vier mensen worden vervolgd, ten tweede de aankondiging dat het onderzoek „onverminderd” doorgaat. Dat laatste belooft spannend te worden. Niet alleen wil het JIT weten wie de vierkoppige bemanning is geweest van de Boek-installatie waarmee MH17 werd neergehaald, op instructie van andere militairen. Oók willen politie en justitie meer weten over de „bevelsstructuur” die leidde tot het besluit over het transport van het raketsysteem van de 53ste Brigade uit het Russische Koersk naar het tarweveld bij het dorp Pervomajski in oostelijk Oekraïne, van waaruit de raket werd afgevuurd.

Russische betrokkenheid

Rusland weigert volgens het JIT te reageren op „eenvoudig te beantwoorden vragen”, zoals waar de Boek zich „op en rond 17 juli 2014” bevond en of de verdachte Doebinski destijds werkzaam was voor de Russische overheid.

Het JIT zocht steun bij de Nederlandse regering. Op 7 juni dit jaar heeft het kabinet er bij Rusland per brief op aangedrongen het onderzoek niet langer te frustreren.

Het JIT toonde woensdag opnieuw bewijsmateriaal voor de Russische betrokkenheid bij de strijd van de separatisten in Oekraïne, die destijds twee ‘volksrepublieken’ hadden uitgeroepen. Op een getapt telefoongesprek, uit juni 2014, is een van de vier verdachten te horen, Igor Girkin vraagt, als hoogste militair in de volksrepubliek Donetsk, om militair materieel aan de Russische leider op de Krim, Sergej Aksjonov. Hij wil zwaar geschut plus getraind personeel, omdat hij de strijd met de vijand dreigt te verliezen. Aksjonov verzekert Girkin dat de steun wordt geregeld.

Opzienbarend is ook het telefoongesprek tussen Aleksandr Borodaj, de zelfverklaarde politieke leider van Donetsk, en de hooggeplaatste Rus Vladislav Soerkov. Soerkov stelt Borodaj gerust met de mededeling gesproken te hebben met „hoge verantwoordelijken voor militaire zaken”. Soerkov is een van Poetins topadviseurs en was tijdens de crash verantwoordelijk voor de geheime operaties op de Krim en Oost-Oekraïne.

De vraag is waar het besluit om de Boek naar het tarweveld te sturen precies is genomen. De vraag is ook hoe ver het internationale justitieteam wil gaan bij het zoeken naar het antwoord op die vraag.