Opinie

Oldenbarnevelt

In 010

Rien Vroegindeweij, dichter en oud-lid van de straatnamencommissie, attendeerde mij erop dat de Van Oldenbarneveltstraat een zijstraat is van de Mauritsweg. Boeiend, omdat de raadspensionaris en de stadhouder, ooit op goede voet, uiteindelijk recht tegenover elkaar stonden. Met als sluitstuk de onthoofding van Van Oldenbarnevelt in 1619 op het Binnenhof.

Nu, in het herdenkingsjaar, vraag ik me af: waarom besloot de gemeente destijds de twee tegenstanders te herenigen in het Rotterdamse centrumplan? Mijn zoektocht leidde naar het Stadsarchief, waar directeur Jantje Steenhuis vertelde dat Overschie eveneens een Van Oldenbarneveltstraat kende. Misschien niet zo vreemd in deze contreien: Van Oldenbarnevelt was tevens een verdienstelijk pensionaris (stadsadvocaat) van Rotterdam.

Ook Overschie had Van Oldenbarnevelt gelinkt aan de stadhouder: de straat was een vertakking van de Prins Mauritssingel aldaar. Was, want nadat Rotterdam het dorp Overschie in 1941 inlijfde, moest er één Van Oldenbarneveltstraat verdwijnen. De pas geïnstalleerde straatnamencommissie besloot eind dat jaar de Overschiese variant te vervangen door Graswinckelstraat. De Prins Mauritssingel, anno 1932, kon worden gespaard, daar die niet dubbelde met de Mauritsweg en -straat in het centrum.

Maar nu terug naar de vraag: wat bezielde het gemeentebestuur om de gezworen vijanden bij elkaar te brengen in het stratenplan? Ik beperkte mijn speurtocht in het Stadsarchief tot de situatie in het centrum, en sloeg de Handelingen van den Gemeenteraad op. Waar ik bij de datum 15 mei 1873 stuitte op het voorstel van B en W om de weg westwaarts vanaf de Coolsingel te vernoemen naar Johan van Oldenbarnevelt, en het stuk tussen de Kruiskade en de Binnenweg naar prins Maurits. De gemeenteraad nam het voorstel voor kennisgeving aan.

Meer valt er niet over te lezen. Mijn voorlopige conclusie: van postume pacificatie was geen sprake. Gewoon een kwestie van het samenbrengen van twee belangrijke, historische figuren, levend in hetzelfde tijdvak, aanvankelijk nauw samenwerkend en tot slot gebrouilleerd geraakt. Zo pragmatisch zal het zijn toegegaan in het stadsbestuur, en in 1932 vermoedelijk ook in Overschie.

Willem Pekelder