Recensie

Recensie Boeken

Moeten we Dimitri Verhulst als cabaretier beschouwen?

De schrijfpauze van Dimitri Verhulst gaf hoop, maar zijn terugkeer met De pruimenpluk valt tegen.

Dimitri Verhulst op het Boekenbal 2015.
Dimitri Verhulst op het Boekenbal 2015. Foto: ANP
    • Thomas de Veen

Met een list redt Dimitri Verhulst (1972) zijn nieuwe roman – maar echt lekker lelijk wil het niet worden. En dat is toch de forte van deze schrijver: de dingen zo bijzonder lelijk maken dat ze weer gaan glanzen, dat zijn walging en boosheid de waarheid aan het licht brengen. Je vraagt je af waar die bevlogenheid is gebleven, in zijn nieuwe roman De pruimenpluk.

De kwestie is: Mattis, mensenhater die de brui aan het leven wilde geven, papte toch aan met een leuke vrouw, de weduwe Elma. Evenwel bleef het feit dat zij tijdens hun vrijpartijen geen orgasme kon krijgen hem dwarszitten. Ze is nog niet over haar overleden man heen, neemt hij aan. Dat moet veranderen. Haar orgasme wordt zijn bestaansrecht.

Het betreffende onrecht is ditmaal wel érg banaal. Vederlicht – en in die zin wijkt De pruimenpluk af van het beste deel van Verhulsts oeuvre, waarin hij zich via het kleinere verhaal bezighoudt met groter onrecht en vurig engagement, waarvan Het leven gezien van beneden (2016) het laatste geslaagde voorbeeld is. Daarop volgde nog de losse flodder Spoo pee doo (2016), dat zó weinig te zeggen had dat je ging vrezen voor het oeuvre. Net als in zijn Bijbelbewerking Bloedboek (2015) ging dat alléén nog maar om de klinkende stijl, zonder dat er nog iets te melden overgebleven leek.

De afgelopen jaren bleef nieuw proza uit. De pauze gaf hoop, maar zijn terugkeer met De pruimenpluk valt tegen. Het suffe verhaaltje over Mattis moet misschien niet als de hoofdzaak van deze nieuwe novelle gezien worden – zou het lonen om Verhulsts proza als cabarettekst te beoordelen? Met de juiste timing en formulering maakt een cabaretier van een drol iets geweldigs.

Ochtenderectie

Laten we de grootste potentiële drol in De pruimenpluk tegen het licht houden, het dieptepunt van banaliteit: de ochtenderecties van Mattis. Hij constateert dat zijn penis er ’s ochtends zo slap bij hangt. Om zijn angstige vermoeden te testen onderneemt hij de ‘postzegeltest’: hij omplakt zijn penis ’s nachts met postzegels. ‘Omdat een gezonde man zo’n vijf stijverds krijgt per nacht, zou het reepje bij het ontwaken gescheurd moeten zijn.’ Op de zegels staat de beeltenis van de koningin, wat tot deze conclusie leidt: ‘Hare Majesteit ringde mijn pierlewierlie tot de ochtend, ze was een vakvrouw in het knippen van lintjes maar niet dit keer; bloedeloos was de nacht geweest, en slap.’

Lees ook het interview met Dimitri Verhulst uit 2014: ‘God was zijn geloof in mij allang kwijt’

Dat lintjesknippen is nog aardig gevonden, maar waarom meent Verhulst zijn grap dan nog twee keer te moeten uitleggen? Met zijn ‘bloedeloos’ en ‘slap’? Weg is de kracht van je geinige metafoor, met die adjectieven is het weer ronduit banaal.

Scherpte mist Verhulst vaker. Zoals ook deze knutselzin, vol begin- en binnenrijm, tot onzin leidt: ‘Het onbelang van opvallen had men hier van de dieren geleerd: wie het vizier versierde belandde in een bad van boter op een bord.’ Onbelang? Een vizier versieren?

Genoemde list geeft toch nog emotionele spanning aan het verhaal. Met goedbedoeld bedrog probeert Mattis de nagedachtenis van Elma’s overleden man te bezoedelen. Je anticipeert er als lezer al op dat hij bij welslagen met schuldgevoel te kampen krijgt – zoals in De laatkomer (2013), waarin Verhulst een man seniliteit liet acteren, met tragisch succes. In dit boek is de ontknoping een afrekening met huwelijksgeluk, en ook die is, tja, wat flauw.