In Artis wonen gedichten

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad Amsterdam.

Wie Artis betreedt, ziet de kamelen en als ik kamelen zie, denk ik aan Jan Hanlo en zijn onvergankelijke ‘Naar Archangel’, met de regels ‘Ik kan/ Kamelen/ Uw lucht/ Niet velen’.

Meestal kan ik de verleiding niet weerstaan en laat ik de regels op plechtige wijze weerklinken tussen het publiek dat binnen stroomt. Maar geen mens die zich aan me stoort, zo gretig is iedereen op weg naar de volgende attractie, de apen!

Ik blijf nog even herkauwen bij de zandbak waar de schepen van de woestijn gestrand zijn en haal, heel voorzichtig, het kleinood ‘Kameelen’ van Jacob Israël de Haan tevoorschijn: ‘Zij stappen statig door de smalle straat./ Zij breken niets in de Bazar vol winkels./ Zij hebben elk een kleinen kameraad,/ Die voert hen trotsch tusschen kijkende kinkels.’

In Artis wonen gedichten, het een nog mooier dan het andere. Bij ieder gedicht hoort een dier, maar waar het vers in zijn zelf opgelegde beperkingen vrij is, is het dier gekooid en zo nauwelijks partij voor de verbeelding. ‘De leeuw is eigentlijk iemand,/ Die bang is voor niemand,’ dichtte De Schoolmeester, maar wie de Artis-leeuwen ziet, weet het nog zo net niet.

Nog heftiger is de sensatie bij het zien van de grote katten, want wie zal in hun geval niet moeten denken aan de regels die Jorge Luis Borges aan de panter wijdde: ‘Achter de stevige tralies zal de panter/ Onophoudelijk de monotone weg afleggen/ Die (maar dat weet hij niet) zijn bestemming is/ Een zwart, onheilspellend, gekooid juweel.’ (Vertaling: Robert Lemm.)

De olifanten hebben het ook niet makkelijk, hoewel Remco Campert er de moed in houdt: ‘Ongelooflijk lichtvoetig/ die olifanten.’

Liever dan leeuwen, olifanten en giraffen zijn mij de pelikanen, en dan vooral de pelikaan die er in de loop van de zomer in slaagt aan zijn vijver te ontsnappen. Piet heet hij, Piet Pelikaan, en in kleine krantenberichten wordt hij achtereenvolgens gesignaleerd op het dak van het Lloyd Hotel, bij Volendammer Vishandel Tussenmeer in Osdorp en op de Gaasperplas, waar hij ten slotte gevangen wordt.

Van de Franse dichter Robert Desnos, die ook van pelikanen hield, vertaalde ik: ‘Het kapiteintje Jongejaan/ Met zijn geruite pikbroek aan/ Ving een keer een pelikaan/ In een land hier ver vandaan.// De pelikaan van Jongejaan/ Lei een eitje. Heel spontaan/ En daaruit kwam een pelikaan/ Sprekend die van Jongejaan.// En die tweede pelikaan/ Lei ook een ei, ’t was zo gedaan/ En daaruit kwam, heel kallum aan/ Zowaar een derde replikaan.// Was die niet in de pan gegaan/ Dan kwam er nog zo’n pelik aan.’

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.