Foto Peter Hundert

Woody Allen over zijn klarinetspel: ‘Ik ben maar een amateur’

Interview Al dertig jaar speelt Woody Allen klarinet in een jazzband en maandag staat hij in Carré. Amanda Kuyper zocht hem op in zijn huis in New York. „Het publiek heeft geen hoge verwachtingen. Mensen komen omdat ze mijn films waarderen.”

Met zijn klarinetkoffertje in de hand komt Woody Allen de hotelbar van het Carlyle-hotel binnenwandelen. Elke maandagavond verloopt dat op dezelfde manier. Om stipt half negen gaat Allen – groene wollen trui, bruine corduroy broek – achterin zitten aan zijn vaste tafeltje. Op zijn gemak prepareert hij zijn klarinet.

Zijn zwarte bril prikt Allen (83) hoog in zijn haar als hij zich focust op het stroeve klarinet-rietje. Even natmaken tussen zijn lippen. In het mondstuk. Aandraaien. Blazen. Daarna schudt de filmmaker de zes wachtende musici op het podium de hand, gaat zitten op de overgebleven stoel en trekt zijn trui uit.

Luister ook naar de podcast: Wat doet verguisd filmmaker Woody Allen maandag in Carré?

In hotelbar Café Carlyle, een nostalgisch-sjiek bastion waar de tijd stilstaat, zitten zo’n 80 mensen aan tafeltjes. Daar hebben ze 200 dollar voor betaald. Er wordt gedineerd bij zacht gedimde lampjes. Een plekje aan de bar is ‘goedkoper’: 120 dollar. Obers in smoking fluisteren en vliegen langs de tafels.

Zodra de filmberoemdheid wordt gesignaleerd – „Woody, Woody”, gonst het – gaan de telefoons massaal omhoog. Al Allens bewegingen – stram, zoals van een tachtiger kan worden verwacht – worden vastgelegd. „Een gekkenhuis is het. Elke week”, zegt Allens oude vriend en begeleider John Doumanian geamuseerd.

Bij de uitverkochte jazzoptredens van Allen is weinig te merken van de publieke lynchpartij die hem ten deel valt. Nadat de #MeToo-discussie was losgebarsten zijn de beschuldigingen van misbruik van Allens geadopteerde dochter Dylan Farrow door haar terug in het nieuws gebracht. Er was in de jaren negentig te weinig bewijs voor gevonden, maar zijn naam raakte opnieuw besmet. Dat betekende dat Amazon Studios zijn films niet meer wil uitbrengen, dat Allen zijn memoires niet gepubliceerd krijgt en dat acteurs afstand nemen van de regisseur en de films die ze met hem opnamen. Waarschijnlijk is zijn nieuwste film, A Rainy Day in New York, alleen in Europa te zien.

Onverstoorbaar, alsof er geen rechtszaken over schadevergoedingen en scripts lopen, voegt de filmregisseur zich wekelijks bij de Eddy Davis New Orleans jazzband. Allen houdt van jazz. En van regelmaat. Op maandagavond, al zo’n dertig jaar, speelt hij oude swingtunes in de hotelbar.

Het melancholische ‘Till We Meet Again’ bijvoorbeeld. „Is deze toonsoort goed voor je?”, vraagt banjospeler Eddy Davis. „Sure.” Woody Allen sluit zijn ogen en soleert frivool met opgetrokken schouders. Hij perst de noten eruit. Het scherpe, snaterende geluid valt bepaald niet mee. Hij moet nog opwarmen.

Ik beschouw deze optredens als een wekelijks potje kaarten. Gewoon voor de lol

‘Old Mill’ dan, een bluesje waarin een gedempte trompet leidt. Allen blaast er hoog en scheef bovenuit. En ook ‘Big Chief’, nog zo’n vintage opgewekt rollende New Orleans-riedel, is voor de luisteraar een kwestie van uitzitten. Al wint Allens toon geleidelijk aan kracht en zuiverheid. Het is een even wonderlijke als fascinerende gewaarwording dat de profmusici zich inhouden en de amateur alle ruimte krijgt. En dat het publiek sowieso klapt.

Tussendoor lijkt Allen weg te suffen. Het is een geveinsde afwezigheid. Contact met de rijke toeristen en filmfanaten voor zijn neus maakt hij liever niet. Om half tien, precies volgens schema, gaat Allen door met enkel drums, piano en banjo. Het slot is altijd hetzelfde: een aandoenlijk stukje duo-zang. Terwijl Allen zijn klarinet opbergt en omslachtig naar de opening van zijn trui zoekt zingt hij ‘Ja-Da (Ja Da Ja Da Jing Jing Jing)’ uit 1918. Dan staat hij op en vertrekt gehaast.

Carré

Aankomende maandag staat Woody Allen met deze jazzband in Carré, Amsterdam. Een concert met opvallend prijzige kaarten (vanaf 101,50 euro), onderdeel van een Europese tournee die gekoppeld is aan filmopnames in San Sebastian. Allen gaat er deze zomer een romantische comedy opnemen, over een echtpaar dat bij een bezoek aan het San Sebastian Filmfestival andere affaires begint. „Deze jazztournee is er totaal secundair bij. Ik zou het niet gedaan hebben als ik er niet al was voor de film”, vertelt hij de volgende dag.

Allen woont op een paar blokken van de jazzbar, in Upper East Side, rechts van Central Park. Een straat in hetzelfde fraaie blok waar hij in 1977 scènes opnam voor zijn film Annie Hall. De huishoudster laat binnen, in het elegant aandoende countryhouse in een sfeer van weleer. In de grote hal bevinden zich een ovale antieke tafel en een open haard. Of ik de lange, met tapijt beklede trap op wil gaan.

Er komen stemmen uit de voorkamer, een ruimte met hoge ramen, veel houtwerk, Perzische tapijten, boekenkasten, Franse leren fauteuils en vintage prenten. Dit moet de bibliotheek zijn. Allen zit er op een donkergroene lange bank. „Waar wil je zitten?”, zegt hij, joviaal gebarend naar alle stoelen. Hij oogt klein en broos. En hij hoort merkbaar niet zo goed. Hij draagt dezelfde groene trui, er zitten gaten bij het boord. „Zal ik je jas hier leggen? Of hier over de leuning? Ah, ga je daar zitten?”

De filmmaker lijkt wel in voor een interview. Een assistente met strenge blik blijft erbij om hem te behoeden voor onhandige uitspraken. Zoals die keer dat Allen de #MeToo-beweging tegenover de BBC „een grote heksenjacht” noemde. En om ervoor te zorgen dat de journaliste niet begint over De Kwestie. Dit gesprek mag enkel over muziek gaan.

U bent een jazzliefhebber sinds uw tienerjaren. Wat zijn uw vroegste muziekherinneringen?

„Ik hoorde de muziek van Sidney Bechett [de Amerikaanse saxofonist en klarinettist, red.] op de radio. Het was een concert, dacht ik. Het was een tijd waarin ik zelf, ik was vijftien, sopraansaxofoon leerde spelen en ik switchte naar klarinet. Die jazz werd een obsessie voor me. Ik kocht alle albums die ik kon vinden, luisterde er urenlang naar, las erover. Later bezocht ik New Orleans een aantal keer.”

Wat sprak u aan in deze New Orleans jazz-stijl?

„Het is zo authentiek. Je hoorde al wel traditionele dixielandmuziek, maar daar moest ik niks van hebben. Die gestreepte jasjes en strooien hoedjes, verschrikkelijk. Ik heb het over de originele muziek uit New Orleans van musici als kornetspeler Joe King Oliver, pianist Jelly Roll Morton, trompettist Bunk Johnson. Fantastisch. Het had een directe impact op me.”

Hoe heeft u die nummers geleerd?

„Door platen mee te spelen.”

Is dat nog steeds de manier waarop u oefent?

„Dit zijn beperkte nummers, de akkoordenschema’s zijn in feite allemaal hetzelfde. Kun je er één spelen dan kun je er honderd. Ze hebben dezelfde opbouw. Ik oefen wel dagelijks op mijn klarinet. Ik mis geen dag, weet je! Als je niet oefent kun je niet meer blazen. Dan werkt je mond niet meer mee. En ik speel met een zeer zwaar rietje in mijn klarinet, een nummer 5.”

Heeft u wel eens gecomponeerd?

„O nee, helemaal niet. Ik kan geen bladmuziek lezen zelfs.”

U speelt al lang met deze jazzband. Kunt u vertellen hoe de muzikale vriendschap, met name met banjospeler Eddy Davis, begon?

„Nee, nee, ik ben met geen van hen bevriend. Ik zie ze enkel op maandagavond, als ik met ze speel. En verder zien we elkaar nooit. Het zijn goede musici, ze hebben veel werk overal. Toen ik eens als comedian optrad in een nachtclub in Chicago speelde Eddy Davis verderop in een jazzbar. Ik ging luisteren. Toen de vorige banjospeler ermee ophield nam Eddy het over. Hij is erg goed.”

Hoe voelt u zich op het podium?

„Prima. Ik zit er gewoon bij en speel mee. Eerst speelden we altijd thuis in de huiskamer, gewoon voor de lol. Toen bedachten ze dat het ook leuk zou zijn voor publiek. Daar geef ik zelf verder niet veel om; thuis was ook best voor mij. Ik beschouw deze optredens als een wekelijks potje kaarten. Gewoon voor de lol. En het is vlakbij mijn huis. Maar ik moet op tijd terug zijn voor de sportwedstrijden op televisie.”

Op het moment dat u de bar binnenkomt pakt iedereen zijn camera. Hoe ervaart u dat?

„O, daar heb ik niet zo’n last van. Als ik speel zie ik niemand, de lichten schijnen in mijn ogen, begrijp je. Ik richt me enkel op de muziek. Sommige liedjes zijn fysiek best een werk om uit te voeren. Je blaast veel achter elkaar en soms raak ik ervan buiten adem.”

U bent een pretentieloze muzikant. Tegelijk treedt u al jaren op en gaat u nu op tournee. Is dit valse bescheidenheid waarmee u verwachtingen probeert te temperen?

„Nee hoor. Ik weet gewoon dat mensen komen omdat ze mijn films hebben gezien. Ik ben maar een amateur, en dit is geen sterrenband. Het publiek heeft geen hoge verwachtingen. En krijgt ook niet veel.”

Het krijgt niet veel?

„Nou ja, het is prima. Het is geen topniveau, concerten van George Lewis of Sidney Bechett ofzo. We verkopen vooral tickets aan een toegewijd publiek dat mij kent van mijn films. Deze zalen met 800 of 1.000 stoelen zouden anders nooit zoveel New Orleans jazz-fans trekken. Bij onze eerdere Europese tournee speelden we waar we zin in hadden. Het maakt mij niet uit. Ze kijken altijd naar mij alsof ik de bandleider ben. Maar dat ben ik niet.”

Wordt er verwacht dat u op het podium ook komisch zult zijn?

„O, nee, dat doe ik niet. Ik zeg gewoon hallo, zeg wat we gaan spelen en stel de band voor. Verder praat ik niet. Ze verstaan bovendien toch niet wat ik zeg.”

Waarom zou uw publiek geen Engels spreken? Ik spreek toch ook uw taal?

„Ja jij. Dat is één persoon. Als ik in Frankrijk, Spanje of Italië optreed en ik spreek Engels, dan…ach ja, nee. Er zijn heus steeds meer mensen misschien die Engels spreken, maar toch… Het gaat zoals in de hotelbar. Ze komen luisteren, ze zijn aardig en ze lijken zich te vermaken.”

‘Ik geloof niet dat ik ooit goede films over jazzmusici heb gezien’

U bent nu een tachtiger. Waarom gaat u eigenlijk op tournee?

„Ik ben 83. Wat was de vraag?”

Waarom wilt u nog op tournee met uw band?

„Het maakt mij helemaal niet uit of ik op tour ga of niet. De mensen om mij heen vinden het goed idee. Mijn vrouw ziet graag andere landen. De band vindt het leuk. Men biedt ons een mooie tournee met goede hotels. En het zijn goede verdiensten. Dus ja, ik ga wel. Maar als die tournee morgen wordt afgeblazen interesseert dat me niets.”

Los van uw concerten is muziek van groot belang in uw films.

„Zeer. In mijn films gebruik ik graag veel soorten muziek. Ik kies veel jazz en swing natuurlijk, maar zelden van de New Orleans jazzartiesten die ik noemde. Hun muziek is simpelweg té goed om als achtergrondmuziek in een scène te fungeren. Dan wil ik de acteurs helemaal niet volgen, maar de muziek horen, snap je.”

In ‘Sweet and Lowdown’ stond de muziek van Django Reinhardt centraal.

„Toen ik dat script schreef leek het me leuk als ik zelf die gitarist zou spelen. Toen Sean Penn zich aandiende voor die rol, stapte ik graag opzij.”

Zou u geïnteresseerd zijn in het maken van nog een muziekfilm?

„Ik heb altijd een film willen maken over Sidney Bechett. Een interessante figuur met een kleurrijk leven. Los van zijn muzikantenbestaan was er veel: hij schoot eens per ongeluk iemand neer in Parijs. Hij zat in de gevangenis. In de jaren veertig was er weinig muziekwerk, hij werd kleermaker om te overleven. Achterin de winkel speelden bandjes. Interessant. Maar het zou een veel te dure grap worden om deze film te maken.”

Hoezo?

„Ik zou óveral moeten filmen! In New Orleans, New York, in Europa, vooral Parijs. Er komt veel muziek aan te pas. Omdat je een idee moet hebben hoe geweldig hij was. En dat zou moeilijk doseren zijn in het verhaal. En dan moet ik nog iemand vinden die Bechett kan spelen.”

Heeft u die film gezien over jazztrompettist Miles Davis?

„Nee. Ik geloof niet dat ik ooit goede films over jazzmusici heb gezien. Enerzijds wil je de muziek eer aandoen. Anderzijds moet je als filmmaker het verhaal recht doen. Vroegere films over Benny Goodman, Glenn Miller, The Fabulous Dorseys waren afschuwelijk. Alles eraan was slecht: ongerijmd, onwaar, cliché en absurd.”