Judoka Juul Franssen

Foto Andreas Terlaak

Interview

Voor judoka Juul Franssen is woede niet meer de drijfveer

EK judo Na een conflict met de judobond over haar trainingslocatie heeft Juul Franssen weer rust in haar hoofd. Op de EK in Minsk wil ze dit weekeinde vlammen.

Alsof Juul Franssen een no-go-area betrad, zo veel moeite had ze aanvankelijk met haar verblijf op Papendal. Zelfs de sereniteit van het bosrijke nationale sportcentrum bij Arnhem bracht haar geen rust. Sterker, eenmaal binnen „zat mijn hartslag gelijk heel hoog”.

Haar gedwongen vertrek naar het nieuwe nationale trainingscentrum op Papendal voelde in 2017 als een deportatie, los gezogen van haar Rotterdamse biotoop waar studie, sport en privéleven volledig in harmonie waren. De straf van wedstrijdverboden en het ontnemen van de A-status, haar inkomstenbron, ervoer Franssen als groot onrecht. Allemaal goed en wel die nieuwe koers, maar zij kon haar leven toch onmogelijk overhoop halen? De judoka zag maar één uitweg: een rechtszaak tegen de judobond.

Franssen werd juridisch in het gelijk gesteld en deed na mediation met de bond een concessie: de helft van de tijd trainen in Rotterdam, de andere helft op Papendal. Maar die gang naar Arnhem viel haar zwaar. Het nationale sportcentrum werd een plek die haar bloeddruk omhoog joeg. Een rechtstreeks gevolg van haar sterk ontwikkelde sensitiviteit, vindt de judoka. „Want ik ben een 100 procent gevoelsmens.”

Sportpsycholoog

Anderhalf jaar verder is Franssens hartslag weer normaal. Met dank aan sportpsycholoog Paul Wylleman, verbonden aan sportkoepel NOC*NSF, die haar innerlijke rust terugbracht. Hun kennismaking was exemplarisch voor haar toenmalige gemoedstoestand. Franssen: „Paul zei: ‘Vertel maar.’ Nou, ik ratelde aan één stuk door en zat direct hoog in mijn hartslag. Na tien minuten onderbrak hij me en zei: ‘Juul, twee dingen: rustig praten en je ademhaling omlaag. Moet je kijken, je zit veel te hoog met je schouders.’ Confronterend, want bij mijn studie social work had ik nota bene die gesprekstechnieken geleerd, toegepast en was ik geslaagd voor mijn tentamen. En toch trapte ik erin. Ik wilde in dat gesprek niet anders zijn dan ik me voelde. Maar Paul hield me direct een spiegel voor.”

Lees ook het interview dat Juul Franssen in 2016 had met NRC

Zijn oplossing? Franssen moest al haar bezigheden functioneel tussen de 0 en 10 waarderen, afgemeten aan de hoeveelheid emotie die zij erin wil stoppen. „Bij vijf taken per dag kun je niet vijf keer een 10 geven, dan stroom je over”, zegt ze. „Oké, mijn training een 2; taakgericht judoën en dan naar huis, dat maakt me rustig; school een 3, thuis een 5, de tandarts een 1 en de kapper een 9, dat vind ik leuk, geniet ik van. Op die manier plan ik mijn dagindeling met nieuwe tools. En dat lukt aardig, al zeg ik het zelf.”

Britse trainer

De tweede rustgevende factor is Jean-Paul Bell, haar nieuwe, Britse trainer op Papendal. Franssen moest een keus maken uit de vier bondscoaches. Bell kende ze van naam, als coach van Sally Conway, die olympisch brons (- 70 kg) haalde op de Spelen in Rio de Janeiro, maar ze hadden nooit een woord gewisseld. „Weet je wat me triggerde? Dat wij op veel dezelfde toernooien zijn geweest zonder dat hij me was opgevallen. Dan moet hij een stille kracht zijn, dacht ik. Zo’n man past bij mij, want ik wil geen schreeuwer langs de mat. Een mailtje naar Conway, waarvan Jean-Paul primair niet wist, maar nu wel, gaf de doorslag. Ze was heel positief over hem.”

Ander voordeel: Bell wist niets van Franssens conflict met de judobond. Hij wil er ook niks van weten, tenzij zij behoefte heeft erover te praten. Inmiddels is de judoka lyrisch over de samenwerking. „Als gevoelsmens kan ik alleen werken met mensen met wie ik een band heb. Met Jean-Paul heb ik die klik. Hoewel we elkaar in sneltreinvaart leerden kennen, voelt het alsof we al lang samenwerken. Dat proces is heel organisch verlopen. Soms heb je vriendschap die op een natuurlijke wijze ontstaat. Ik durf te zeggen dat Jean-Paul een plekje in mijn hart heeft veroverd.”

Werkbare situatie

Het verbanningsoord Papendal is nu een lustoord? Franssen moet lachen. Ze begrijpt de contradictie en spreekt van „een werkbare situatie”. Ze zegt oprecht te hopen dat de ingezette centralisatie van de judobond zal slagen, maar haar observaties vertellen een kritisch verhaal. Fransen hoor je evenwel niet meer klagen. „Omdat het geen zin heeft. Ik volg mijn project dat tot doel heeft medailles winnen en in mijn gewichtsklasse (-63 kg) de beste van de wereld worden. Woede is geen drijfveer meer. Ik ben 29 jaar en niet langer een om zich heen schoppende puber. Mijn route naar de Olympische Spelen van Tokio, daar gaat het om. Of ik alweer de oude ben? Nee, dat niet. Ik ben een vernieuwde versie van Juul.”

Judoka Juul Franssen

Foto Andreas Terlaak

De rechtszaak is een omgeslagen pagina. Liever mijdt Franssen dat gespreksonderwerp, wat niet wegneemt dat ze trots terugblikt. „Trots dat ik het überhaupt gedaan heb, trots dat ik heb volgehouden en vooral trots dat ik een precedent heb geschapen voor andere sporters. Nu komen ze mij om advies vragen, onlangs nog iemand die een eigen team wilde beginnen. Wat het mij heeft gebracht? Mijn judocarrière heb ik terug, die was me afgenomen. Ik had geen keus, stond met de rug tegen de muur. Desondanks vind ik het dapper van mezelf dat ik de strijd ben aangegaan. Het moest, zo voelde dat, uit een soort overlevingsinstinct.”

De strijdlust is van de rechtszaal verplaatst naar de judomat waarop Franssen dit weekeinde in Minsk een gooi doet naar de Europese titel, waarna in augustus in Japan de wereldkampioenschappen volgen. Maar uitroeptekens staan achter de Spelen van volgend jaar in Tokio. Een olympische medaille is haar heilige doel. Allesbehalve een makkelijke opgave met drievoudig wereldkampioen Clarisse Agbegnenou uit Frankrijk, de Sloveense olympisch kampioen Tina Trstenjak en de Japanse Miku Tashiro als blokkades die uit de weg geruimd moeten worden. Drie judoka’s van wie Franssen nog nooit gewonnen heeft.

Maar judoka’s zijn vechtjassen met een onverwoestbaar geloof in eigen kunnen, in het bijzonder Franssen. „Ik ben een enorme doorzetter”, zegt ze. „Nee is nooit een antwoord.”