Het alfabet van onze jeugd

Ewoud Sanders

Woordhoek

Hoe woorden precies in onze hersens liggen opgeslagen weten we niet, maar naast hun betekenis zijn ze voorzien van allerlei extra informatie. Sommige woorden vinden we bijvoorbeeld netjes, andere juist vies. Ons mentale woordenboek bevat ook woorden en uitdrukkingen die jeugdherinneringen oproepen. Soms gaat het om gezinstaal, vaker om taal van een bepaalde generatie.

Voor de jaren vijftig en zestig is de jeugdtaal nu vastgelegd in een boekje dat vanaf vandaag in de boekhandels ligt: Oh ja! Het alfabet van onze jeugd (uitg. WalburgPers). Het is geschreven door Rob Krabben, oud-journalist van onder andere De Stentor. Krabben is van 1955 en groeide op in een volksbuurt in Vlaardingen. Dat staat niet in dit boekje, maar is mijns inziens wel van belang omdat jeugdtaal veel regionale verschillen kent. Anders dan Wim Daniëls in 2012 deed in Mieters! De taal van de jaren vijftig, haalt Krabben bij de lemma’s veel persoonlijke herinneringen op.

Dat maakt zijn boekje erg leuk om te lezen want veel van zijn herinneringen komen overeen met die van tijdgenoten. Zo schrijft hij bij het lemma Waterhoogten dat die ’s ochtends, na de nieuwsuitzending van negen uur, werden voorgelezen op de radio – ik herinner me de hypnotiserende werking die er uitging van die statig voorgedragen, raadselachtige codetaal („Grave beneden de sluis: 386, plus 41.”

Televisie is natuurlijk ook een belangrijk lemma, want die uitvinding zou het gezicht van de jaren vijftig en zestig ingrijpend veranderen. Leuk is dat Krabben niet alleen schrijft over piratenzenders en bekende jeugdprogramma’s als Pipo de Clown, Swiebertje en The Thunderbirds, maar ook melding maakt van iets dat ik was vergeten: storingen door het gebruik van elektrische apparaten. „Als in de keuken (of die van de buren) de elektrische koffiemolen werd aangezet, zat je in de woonkamer ineens naar sneeuw of diagonale lijnen op je scherm te kijken. Reed er een brommer door de straat, dan gebeurde vaak hetzelfde.”

Ik keek op van deze informatie bij het lemma bakker aan de deur: „Het feit dat de bakkers hun brood op straat uitventten, had in veel gemeenten een opmerkelijk gevolg: in de politieverordening werd opgenomen dat huisvrouwen (dat het ook voor mannen kon gelden kwam niet in ons op) op straat na tien uur ’s ochtends geen kleedjes meer mochten kloppen.” Dit vanwege de stofwolken.

Pielen met het schuifje van het inktpotje in je schoolbank, erwten schieten met een geweer met kurken, gewassen worden in een lavet (een groot uitgevallen gootsteen): Krabbens woordenboek, dat tientallen foto’s bevat, zal bij veel lezers herinneringen losmaken, al dan niet gedrenkt in nostalgie.

De woorden die in het boek zijn opgenomen staan in alfabetische volgorde en gaan onder meer over speelgoed, voedsel, gezondheid, muziek, onderwijs, merknamen, verdwenen beroepen en techniek.

Het gaat om tweehonderd trefwoorden als carbonpapier, dinky toy, elpee, happenings, hinkelen, hoelahoep, jojo, knikkeren, kousen stoppen, legerdump, luchtpostpapier, melkdoppen, platenkoffer, schoolarts, solex, SRV-man, telegram, telefooncel, Tomadorekje en zomerkamp. Bij het lemma PTT schrijft Krabbens onder meer: „PTT: Putje graven, Tentje bouwen, Tukkie doen, was de gangbare uitdrukking.”

Natuurlijk ontbreekt ook het lemma touwtje uit de brievenbus niet, want dankzij Jan Terlouw is dat een symbool geworden voor de relatieve onschuld en veiligheid van de jaren vijftig en zestig.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders