Recensie

Recensie Beeldende kunst

Gieters, schoonheid en symboliek van de middeleeuwse tuin

Tentoonstelling Rijksmuseum van Oudheden toont met archeologische vondsten en artistieke verbeeldingen de vorm en het gebruik van tuinen tussen 1200 en 1600. De hand van God was overal.

Duimgieter uit het Kartuizerklooster, Delft (voor 1573).
Duimgieter uit het Kartuizerklooster, Delft (voor 1573). Foto Archeologie Delft

Pleurechante (‘hij huilt en zingt’), noemen de Fransen een type duimgieter van omstreeks 1500. De aardewerken kruik heeft vele gaatjes in de brede, bolle bodem en maar één bovenaan de taps toelopende hals. Je vult de gieter door hem onder te dompelen in een sloot of regenton. Door de bovenste opening met de duim afwisselend te sluiten en te openen, loopt het water er mooi gedoseerd uit. Terwijl de gieter zijn tranen laat, zingt het in zijn binnenste met een gorgelend geluid.

Het exemplaar dat nu te zien is in de tentoonstelling over middeleeuwse tuinen in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, is opgegraven bij het kartuizerklooster in Delft. Toepasselijk, want die religieuze orde staat erom bekend dat haar leden afzonderlijk van elkaar leefden in cellen met elk een eigen tuintje.

Joachim Beuckelaer, Groentenverkoopster (1565)

Foto Museum Mayer Van den Bergh Antwerpen

Moestuinen, kruidentuinen, siertuinen en natuurlijk de verbeelding van het Bijbelse paradijs, vormen het aantrekkelijke thema van de expositie. In de Middeleeuwen blijkt de vorm ervan veelal te zijn gebaseerd op de ordelijke en symmetrische gaarden van de Arabische wereld. De overzichtelijk afgebakende perken met een waterbron in het midden wijken af van wat later gebruikelijk zou worden in de tuinen van Renaissance en Barok, die zich met grotten, sculpturen en verrassende doorkijkjes, baseerden op de hoven van de klassieke oudheid.

Hand van God

Kloosters en kastelen, en ook particuliere huizen, hadden zulke tuinen om groenten te verbouwen en kruiden te kweken die smakelijk konden zijn, geneeskrachtig, of allebei. In handschriften van botanische en encyclopedische boeken worden ze beschreven en uitgebeeld. Maar natuurlijk werd ook de schoonheid van planten en bloemen gewaardeerd, zowel in de tuin als in afbeeldingen op schilderijen, gedecoreerde bloemenvazen, of wandtapijten die zijn bestrooid met duizend bloemen en daarom millefleurs heten.

Millefiori-tapijt met vogels (ca. 1525-1550, 146 x 126,5 cm)

Foto Rijksmuseum Amsterdam

Zoals te verwachten in een periode die in zowat alles de hand van God herkende, staat de waardering voor de bekoorlijkheid van al wat groeit en bloeit niet op zichzelf. Zo vroeg de heilige Franciscus volgens zijn dertiende-eeuwse biograaf aan „broeder tuinman” een mooi tuintje aan te leggen, met bloeiende bloemen die „als het hun tijd was, de toeschouwer Gods lof zouden verkonden en zeggen: om jou heeft God me gemaakt, o mens”.

De symboliek van de tuin krijgt in de expositie dan ook terecht veel aandacht. Geordende patronen van gestileerde plantmotieven in wandtapijten en tegeltableaus uit de islamitische wereld weerspiegelen de goddelijke orde. En in het christelijke westen was de ommuurde tuin een zinnebeeld van de Maagd Maria. Het aardse paradijs werd verbeeld als een liefelijke lusthof met een weelde van vegetatie en vreedzaam levende dieren.

Maria met Christuskind in Hortus conclusus, getijdenboek, Zuid-Holland (Leiden, 1480-1500)

Foto Koninklijke Bibliotheek Den Haag

Toch zijn de tastbare overblijfselen van het middeleeuwse tuiniersbedrijf minstens zo fascinerend: de duimgieter uit Delft, maar ook verweerde gereedschappen, een houten klomp, een leren werkhandschoen waarvan je je kunt voorstellen dat een vijftiende-eeuwse tuinman hem heeft gebruikt om rozen te snoeien.

En hoe volmaakt de natuur ook mocht zijn, van ongedierte heb je alleen maar last. Bij een kruik die omstreeks 1400 als muizenval is ingegraven, liggen de botjes en schedels van twee dozijn veldmuizen die er ooit zijn ingetuimeld.