Opinie

    • Frits Abrahams

De nazi en zijn minnares

Frits Abrahams

Bij sommige verhalen in de krant zie je meteen een scenario voor een speelfilm. Het gebeurde mij bij een groot artikel in The New York Times onder de kop: ‘Nazi’s vermoordden haar vader. Toen werd ze verliefd op een van hen.’

Het bevat de schrijnende geschiedenis van Emilie Landecker, de oudste dochter van Alfred Landecker, een Joodse accountant in Duitsland. Emilie ging in 1941 als kantoorbediende voor Benckiser werken, een groot chemisch bedrijf. Benckiser werkte nauw samen met het nazi-regime, niet tot in de vernietigingskampen, maar wel door gebruik te maken van buitenlandse dwangarbeiders en krijgsgevangenen. Die werden in twee kampen onder soms bruut toezicht vastgehouden.

Emilie was een 19-jarige, half-Joodse vrouw toen ze bij Benckiser in dienst trad. Ze zal ongerust zijn geweest over haar eigen lot, en zeker dat van haar vader. Haar katholieke moeder was al in 1928 overleden, haar vader had met vooruitziende blik zijn kinderen katholiek laten dopen, twee jaar na de machtsovername in 1933 door de nazi’s.

Emilie moet op kantoor iets hebben gemerkt van de banden van de nazi’s met Benckiser. Ze werkte er al een jaar toen haar vader op 24 april 1942 thuis in Mannheim werd opgehaald door de Gestapo. „Zo vuile jood, ben je klaar voor de reis?”, vroegen ze. Alleen zijn zoon Wilhelm was thuis. Landecker wist dat ze zouden komen, de datum was hem per brief medegedeeld. Door geldgebrek had hij niet naar Amerika kunnen ontkomen.

Nadat Landecker gedeporteerd was naar Polen, waar hij in 1942 stierf, bleef Emilie voor Benckiser werken – tot 1965. Ze kreeg een verhouding – wanneer is onbekend, wellicht al in de oorlog – met Albert Reimann jr., de zoon van de directeur en zelf ook directielid. Reimann was getrouwd, maar had geen kinderen. Emilie schonk hem er drie, Reimann adopteerde hen in de jaren zestig. Reimann bleef bij zijn vrouw, die van de verhouding wist, en bezocht Emilie en haar gezin tweemaal per week.

Reimann, die net als zijn vader een trouwe, overtuigde nazi was geweest, maakte de Amerikaanse bezetter na de oorlog wijs dat hij óók onder de nazi’s had geleden. Zo kreeg hij de gelegenheid zijn bedrijf uit te bouwen tot een wereldomspannend concern, nu onderdeel van de JAB Holding Company.

Reimann, inmiddels miljardair, stierf in 1984, Emilie in 2017. Ze schreef hem eens: „Ik denk dat ik jou meer nodig heb dan jij mij (….). Jij was en bent de enige persoon met wie ik kan praten.” Met haar zoons praatte ze nooit over het verleden. Ze moet van hem gehouden hebben, denken zij, maar zoon Wolfgang merkt op dat hij hem nooit zo aardig vond.

Twee zoons zijn nu grootaandeelhouder van JAB. Zij hebben besloten opening van zaken te geven en donaties te verstrekken aan oorlogsslachtoffers. Dit op initiatief van JAB-topman Peter Harf, die bepleit dat bedrijven zich verantwoorden voor hun verleden. Harf werkt in New York, Londen en Milaan en zag er het hedendaagse populisme opkomen. „In het verleden hebben bedrijven populisten geholpen, we mogen dezelfde fout niet opnieuw maken.”

Alle treurige feiten overziend, valt mij op hoezeer Albert Reimann jr. de dans telkens ontsprongen is. Als profiteur van Hitler, als geheime minnaar van een half-Joodse vrouw, als bedrijfsdirecteur die op tijd doodging.