Opinie

De lessen van mijn Kersentuinen

Joyce Roodnat Tsjechovs Kersentuin. Bij iedere uitvoering hoort Joyce Roodnat die ene prachtige zin die in één zucht het stuk samenvat – en bij iedere uitvoering is dat een andere.

Joyce Roodnat

In de Amsterdamse Stadsschouwburg speelt het ITA-ensemble Tsjechovs De Kersentuin. De zinnen buitelen over me heen. Ze zijn zo mooi dat ik ze wil onthouden. Zo gaat het altijd. En altijd vergeet ik ze meteen, op één na. En die ene is steeds een andere. Dat begon met mijn eerste Kersentuin, ik zag hem met mijn moeder. Ze was een stoere vrouw, dus ik schrok toen ik haar zag huilen bij: „Mama, mijn lieve goeie mooie mama, ik houd van je”.

Simpel zinnetje, sentimenteel zelfs. Maar het is van het grootste belang: deze moeder is voor haar moederschap op de vlucht sinds ze haar kleine zoon verloor en moeder zijn te pijnlijk voor haar werd. Nu is ze terug op het landgoed met de kersentuin, waar de herinneringen vrij spel hebben. Ze verschanst zich het hele stuk lang in de jonge vrouw die ze was vóór ze moeder werd. Ik houd van je, zegt haar volwassen dochter en daarmee is ze een momentje weer de moeder die ze al jaren niet meer durft te zijn. En dat voel je.

Daarna onthield ik: „Het leven is voorbij gegaan alsof je nooit geleefd hebt.” En „U moet niet naar toneelstukken kijken, u moet naar uzelf kijken.” En ook: „Iedereen was blij, maar blij met wat, dat wisten ze zelf niet.” En bij NTGent biologeerde me het raadselachtige: „Als wij het geluk niet leren kennen, is dat dan een ongeluk?” En al die zinnen vatten, telkens anders, in één zucht de complete Kersentuin samen.

In de pauze probeer ik te tellen hoe vaak ik het stuk heb gezien. Ik kom er niet uit, de beelden rollen over elkaar, met af en toe een flard van een andere Tsjechov ertussendoor. (In welk stuk werd ook weer de kindermeid gespeeld door een pezige man in een grote rok? Hij klopte op die rok en er sprong meteen iemand op schoot – een en al verlangen naar haar kindertijd, toen alles nog goed was en het geld niet op.)

Chris Nietvelt (r) in ‘De Kersentuin’. Foto Henri Verhoef

Toevallig zit de veteraan-acteur Hans Croiset naast me: „Hoeveel Kersentuinen heb jij gezien?”, vraagt hij met die mooie stem van ’m. „Ik weet het niet,” zeg ik, „maar mijn eerste weet ik nog wel.” „Welke was dat?” „Geen idee, het is zo lang geleden.” Hij deduceert op grond van de snippers die ik me nog herinner, dat het De Kersentuin van 1977 geweest moet zijn, van het Publiekstheater. „Daar zat mijn vader in.” Hijzelf ook, trouwens, als de eeuwige student Trofimov. Hij op het toneel met zijn vader, Max Croiset. Ik, studente, in de zaal met mijn moeder, op weg naar een zin die mij zou verbinden met haar tranen.

De onthoud-zin van deze Kersentuin zit al in het eerste bedrijf: „Wanneer ben jij zo oud geworden?” vraagt de ontmoederde vrouw aan de eeuwige student. De woorden stoken een vuurtje door de intonatie van actrice Chris Nietvelt. Weer zit het hele stuk erin. Verbazing over het verstrijken van de tijd. Melancholie over dat niets bij het oude blijft, dat alles gedoemd is zomaar te verdwijnen. En ontkenning van de feiten – hier klinkt de vaste overtuiging dat het voor haar niet opgaat, dat ouder worden. Dat doodgaan.