Het vernieuwde Museum De Lakenhal

Foto Karin Borghouts

De Lakenhal is weer een Leids paleisje

Verbouwing Na een jarenlange verbouwing gaat het Leidse museum De Lakenhal weer open. Nadrukkelijk als stadsmuseum. Directeur Meta Knol: „Als je het beste uit het lokale neemt, kom je een heel eind.”

‘De make-up is eraf”, zegt Meta Knol, sinds tien jaar directeur van het Leidse museum De Lakenhal, wijzend naar de fris gerestaureerde gevel van haar museum. „De dikke lagen witte verf waarmee de pilasters en gevelstenen in de loop der eeuwen waren volgeschilderd, zijn verwijderd. De tableaus zijn weer zichtbaar, in haarscherpe kwaliteit. Zo zie je de oorspronkelijke functie van het gebouw weer in alle glorie: een tempel gewijd aan de textielindustrie.”

We staan op de kade van de Oude Singel, voor de ingang van het zeventiende-eeuwse stadspaleis waar ooit de Laecken-Halle was gevestigd, een keurhal voor lakense stoffen. Sinds 1874 doet het dienst als Leids stadsmuseum. Ruim twee jaar was De Lakenhal dicht voor een ingrijpende restauratie en uitbreiding. Donderdag wordt het museum teruggegeven aan de Leidenaren met een vierdaags openingsfestival.

De verbouwing was hard nodig. De laatste uitbreiding, de Papevleugel, stamde uit 1921. Het museum had veel achterstallig onderhoud, de klimaatinstallatie was gedateerd en bij iedere tijdelijke tentoonstelling moest de vaste collectie het veld ruimen. Voor publieksvoorzieningen als een museumcafé of een educatie-atelier was al helemaal geen ruimte. Al in 1939 klonk daarom de wens tot uitbreiding. Begin jaren vijftig werden daartoe enkele panden aan de Lammermarkt aangekocht, zodat het museum aan de achterzijde zou kunnen bijbouwen. Maar in de decennia die volgden, beet de ene na de andere museumdirecteur zich stuk op de uitbreidingsplannen.

De nieuwe zijde van De Lakenhal aan de kant van de LammermarktFoto HCVA

Ironisch genoeg had dat deels te maken met het verdwijnen van de lakenindustrie uit Leiden en de daarmee gepaard gaande armoede van de gemeente. „In 1977 sloot Krantz, de laatste lakenfabriek in Leiden, zijn deuren”, vertelt Knol. „Tussen 1972 en 1993 had Leiden zelfs een Artikel 12-status en stond de stad onder curatele van het Rijk.” Er werd in die tijd alleen hoognodig onderhoud gepleegd. In 1992 werd het voorplein overdekt: een noodoplossing die ruimte bood aan de kassa, de garderobe en een automaat met slechte koffie. Het kon niet voorkomen dat De Lakenhal weggleed uit het landelijke speelveld.

In 2009 besloot de Leidse gemeenteraad eindelijk om een flink bedrag – 14 miljoen euro – ter beschikking te stellen om de Lakenhal ‘op orde’ te krijgen. Datzelfde jaar werd Meta Knol aangesteld om de ‘vernieuwingsprocedure’ te leiden. Zij nam meteen een radicaal besluit, door alle tentoonstellingen voor 2010 te annuleren en zich louter op de collectie te richten. Voor het project Werk in Uitvoering werden dat jaar alle 23.000 items uit de collectie op zaal geïnventariseerd, schoongemaakt, gefotografeerd en gedigitaliseerd. „Net als Teylers en het Rijksmuseum zijn we een collectiemuseum”, zegt Knol. „In de collectie zit ons dna. De nieuwe vaste opstelling en de tentoonstellingen die we gaan programmeren zullen gebaseerd zijn op Leidse bronnen.”

De nieuwe Lakenhal profileert zich zo nog nadrukkelijker dan voorheen als stadsmuseum, waar de geschiedenis wordt verteld aan de hand van verhalen over onder meer Leidens Ontzet en de oprichting van de universiteit. Maar ook de modernere kunstgeschiedenis komt aan bod, met presentaties over het in Leiden opgerichte tijdschrift De Stijl, met de schilderijen van Jan Wolkers en, in het trapportaal, sonnetten van Ilja Leonard Pfeijffer. „Als je het beste uit het lokale neemt”, zegt Knol, „kom je een heel eind.”

Julian Harrap

Voor de restauratie werd de bekende Londense architect Julian Harrap aangetrokken. Hij heeft de historie van het gebouw zoveel mogelijk blootgelegd. Dichtgetimmerde ramen werden opengemaakt, glas-in-loodkoepels herplaatst, verlaagde plafonds en voorzetwandjes weggehaald, bakstenen muurtjes weer zichtbaar gemaakt. Zo stroomde er licht het pand binnen en werd de oorspronkelijke H-vorm van het gebouw weer zichtbaar. De achterplaats, waar vroeger de textielarbeiders moesten wachten tot hun stoffen waren gekeurd, is nu de centrale ontvangstruimte. Vanaf hier zijn de vleugels van het museum toegankelijk, die allemaal uit een andere tijd stammen en een staalkaart bieden van bouwstijlen.

Achterplaats van de LakenhalFoto Karin Borghouts

„Zodra je de drempel over stapt, begint het museum als teletijdmachine zijn werk te doen en waan je je in 1640”, zegt Knol. Boven, in de voormalige Lakenzaal, zijn de stellages teruggezet waaraan vroeger de stoffen voor de ramen werden gehangen om ze te controleren op weeffouten. In vitrines liggen Leidse lakenloodjes, keurmerken, die terug te voeren zijn tot 1300. „De alleroudste is gevonden in de Warmoesstraat in Amsterdam”, wijst Knol. „Maar we hebben er ook eentje die in New York uit de Hudson is gevist.”

Het lakenloodje, met de twee Leidse sleutels, dient nu als logo van het museum. En er worden weer nieuwe lakens geproduceerd binnen de muren van de oude Laecken-Halle. Voor het project Nieuw Leids Laken gaf Knol aan vijf kunstenaars – onder wie Claudy Jongstra en Petra Blaisse – de opdracht om wollen stoffen te ontwerpen. Die zijn in de museumwinkel per strekkende meter te koop. Met behulp van do-it-yourself-pakketten kun je er je eigen tas of sjaal mee knutselen. „Zo zetten we de ambachtelijke traditie van zeven eeuwen Leids laken voort.”

Knol is er trots op dat de renovatie en de nieuwe vleugel binnen het budget zijn gebleven en op tijd, in het Rembrandtjaar, zijn opgeleverd. Maar dat betekent niet dat alles gesmeerd is verlopen. „De eerste aanbesteding mislukte. De prijzen van aannemers stegen erg snel in die tijd, waarna alles opnieuw moest. En toen we eindelijk het ontwerp van het jonge architectenbureau Happel Cornelisse Verhoeven konden presenteren, kwam er behoorlijk wat kritiek op. Veel Leidenaren vonden het spuuglelijk. Al snel kreeg de nieuwe vleugel een bijnaam: de trekzak.”

En dan was er nog de kwestie met de monumentale Joristrap, die Knol wilde verplaatsen om de achterplaats een zo open mogelijk karakter te geven. „Dat idee stuitte op veel verzet. Die Joristrap werd onze fietstunnel, daar is eindeloos over vergaderd. De restauratiewereld is erg behoudend, men durfde geen beslissingen te nemen. Uiteindelijk moest de rijksbouwmeester eraan te pas komen om groen licht te krijgen. Dat leverde negen maanden vertraging op.”

Het museumgebouw is klaar voor de toekomst, duurzaam en energiearm. „Het was misschien wat stil rondom ons museum, de afgelopen jaren. We waren vooral met onszelf bezig. Maar ik hou van het principe: show, don’t tell. Vooraf opscheppen over wat het gaat worden, heeft geen zin. Je moet het zien. En nu kunnen we er eindelijk mee voor de dag komen.”

Recensie architectuur: Oud en nieuw gaan verbluffend hand in hand

Het meest in het oog springende deel van het gerestaureerde én vernieuwde Museum De Lakenhal in Leiden is de nieuwbouw aan de Lammermarkt. Toen het jonge architectenbureau HCVA in 2014 de prijsvraag voor de restauratie en uitbreiding van De Lakenhal won, waren er Leidenaren die zich zorgen maakten over de nieuwbouw, omdat die niet zou passen bij de omgeving. Maar die zorgen blijken nu nodeloos: de nieuwbouw van Ninke Happel en haar twee mannelijke collega’s Floris Cornelisse en Paul Verhoeven is weliswaar hoogst origineel maar tegelijkertijd stevig verankerd in de (architectuur)geschiedenis.

Origineel is de nieuwbouw wegens de ongebruikelijke vorm. Het onderste deel, waar zich onder meer een inpandige laad- en losruimte, een depot en twee tentoonstellingszalen bevinden, doet met zijn boograam en

-deuren denken aan een oud pakhuis, zoals die in de tweede helft van de 19de eeuw ook aan de Lammermarkt stonden. De bovenbouw, met kantoor- en werkruimtes rondom een bibliotheek, lijkt met zijn gevels met erkerachtige vouwen op een miniversie van het Monadnock Building, een van de eerste wolkenkrabbers die omstreeks 1890 in Chicago werden gebouwd. Toch vormen pakhuis en mini-wolkenkrabber één vloeiend geheel doordat de erkers van de bovenbouw worden ondersteund door piramidale uitstulpingen en zo organisch uit de tintelende bakstenen gevel van het pakhuis lijken voort te komen.

Net zo knap is de verbouwing en restauratie van het oude Museum De Lakenhal, dat uit drie verschillende bouwdelen uit de 17de, 19de en 20ste eeuw bestaat. In samenwerking met de Britse restauratie-architect Julian Harrap is van het voorheen brokkelige en labyrintishe complex een vloeiend geheel gemaakt zonder de geschiedenis uit te wissen.

Sterker nog, herhaaldelijk is de geschiedenis van het museum die was verdwenen en vergeten weer teruggehaald. Zo heeft de oude Laecken-Halle zelf, het enige 17de-eeuwse ‘stadspaleis’ in Nederland dat nog altijd aan een voorhof achter een gesloten muur ligt, grotendeels zijn oude karakter teruggekregen. Niet alleen is de voorhof ontdaan van het lelijke glazen dak uit 1992 en is de prachtige voorgevel in oude luister hersteld, maar ook ademt het interieur met zijn houten vloeren en ‘geschouderde’ deurlijsten weer de 17de-eeuwse sfeer van de ‘nobele eenvoud’ van het Hollandse classicisme. Van de vele aanwezige 21ste-eeuwse elektriciteitsleidingen, ventilatieschachten en installaties is nauwelijks een spoor te bekennen.

Ook de nieuwe toevoegingen staan in het teken van de vernieuwende traditie. Een mooi voorbeeld hiervan is een fraaie nieuwe trap waarin een constructiemethode uit de traditionele steenbouw is toegepast in beton. Ook het door HCVA ontworpen prachtige, houten meubilair, van banken tot receptiebalie, is tegelijkertijd traditioneel en eigentijds. Zo gaan oud en nieuw tot in alle uithoeken van Museum De Lakenhal nu op even verbluffende als vanzelfsprekende hand in hand, met tijdloosheid als resultaat.

Recensie inrichting: Topstukken in oude luister teruggebracht

De stad lijkt te zijn toegevoegd aan de collectie. Op de eerste etage van de gerenoveerde Lakenhal zijn lang verborgen buitenramen weer te voorschijn gehaald. Op een zonnige dag biedt het getinte glas, in een surrealistisch diorama, een gezicht op de omringende panden en de zeventiende-eeuwse Marekerk verderop. Het is een van de oplossingen die de nieuwe vorm en opstelling van het museum, waarvan ook de collectie nauw met Leiden verbonden is, onweerstaanbaar aantrekkelijk maakt.

Naast, uiteraard, een triomfantelijk weerzien met topstukken van kunstenaars als Lucas van Leyden en Rembrandt, biedt de Lakenhal ook veel nieuws. Het museum rekent ermee af met zijn wat stoffige imago. Recente aanwinsten die nu voor het eerst in hun nieuwe onderkomen worden getoond, benadrukken de ambities richting de moderne kunst: een ruitvormige, geometrische vlakverdeling door Theo van Doesburg uit 1924 (aankoop 2017), en zeventien werken van schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers, die vorig jaar werden verworven uit diens nalatenschap.

Speciaal voor de heropening verleende de Lakenhal opdrachten aan hedendaagse kunstenaars. Zo bracht het duo Maarten Kolk & Guus Kusters, gebaseerd op Rembrandts palet, een fraai lichtgrijs met subtiele, levendige kleuraccenten aan op de wanden van de oude zalen. En de Amerikaanse kunstenaar Mark Dion voegde een spookachtig groen-fluorescerend aangelicht rariteitenkabinet met dierenskeletten en oude onderzoeksinstrumenten toe aan een kleine zaal die met een nieuwe inrichting aandacht besteedt aan de universiteit van de stad.

Voor tijdelijke tentoonstellingen is de nieuwe vleugel beschikbaar, met hoge, ruime zalen. Twee mooie fotopresentaties bijten er het spits af. De sloop van de panden die plaats moesten maken voor de nieuwe zalen is het thema van Marjan Teeuwen, in indrukwekkende opnames van weggeslagen muren en ingezakte plafonds. Karin Borghouts legde, met foto’s van sloop en hervonden historische details, sprekende episoden vast van het verbouwingsproces.