Opinie

De canon is een sterk verhaal zonder einde

Paul Scheffer

Soms heb je een buitenstaander nodig om het te zien. De Vlaamse letterkundige Geert Buelens, hoogleraar in Utrecht, relativeerde onlangs de somberheid over het publieke debat in Nederland: „De felheid van het debat verhult vaak hoezeer voor al deze gepassioneerde politici, opiniemakers en twitterati Nederland het vanzelfsprekende centrum van hun gedachten vormt.” (NRC, 27/4).

Je zou wensen dat dit inzicht vaardig zou worden over deelnemers aan de polemiek over de canon van de Nederlandse geschiedenis. Die inventarisatie van belangrijke gebeurtenissen en personen uit meer dan vier eeuwen geschiedenis werd in 2006 opgesteld onder leiding van Frits van Oostrom. Scholen kunnen die naar eigen inzicht gebruiken.

Op initiatief van minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, D66) wordt de canon nu geëvalueerd. Ze vraagt aandacht voor de „schaduwkanten” van het verleden. De eerste reacties laten zien dat iedereen alweer in een zwart-witte slagorde staat opgesteld. Meer over de schaduwkanten van die geschiedenis of juist minder – het zijn vertrouwde reflexen die verhullen wat wezenlijk is.

De canon gaat namelijk om een gedeeld verhaal. Daar horen zeker de dieptepunten van onze geschiedenis bij. Kolonialisme, slavernij en collaboratie komen we dan ook tegen in de huidige canon. Ik weet niet wat de minister heeft gemotiveerd om nog eens te vragen naar die schaduwkanten, overigens een verhullende term.

Maar Buelens heeft gelijk. Zelfs alle polemiek over het koloniale verleden gaat onbewust uit van de gedachte dat er een betekenisvolle gemeenschap is die rekenschap moet afleggen. Waarom zouden we ons er druk over maken als we geen bijzondere verantwoordelijkheid dragen? De benaming van het herdenkingsteken voor de slavernij is duidelijk: Nationaal monument slavernijverleden.

Deze strijd om de herinnering kun je zien als een voorbeeld van natievorming. Buelens zegt het goed: „Natuurlijk is de natie een fictie, maar zoals letterkundigen weten kan van fictie een enorme kracht uitgaan. Net zoals in fictie komt het er in een natie op aan wie er een stem krijgt, wie gehoord wordt.” Zo gezien is de natie een sterk verhaal.

Dat is een verhaal zonder einde – telkens dienen zich nieuwe stemmen aan. Veel van wat nu wordt omschreven als identiteitspolitiek is ingegeven door een verlangen om gehoord en gezien te worden. Zulke emancipatiebewegingen horen bij ons land. Denk maar aan de katholieke emancipatie of aan de vrouwenbeweging.

Die ontvoogding is vooruitgang zolang de gemeenschap die wordt gemaand om ruimte te maken maar niet uit oog wordt verloren. Wie zegt „dit land is ook van ons”, wil toch tegelijk zeggen „wij zijn deel van dit land”. Spreken over diversiteit – zoals Van Engelshoven bij herhaling doet – schiet tekort als we niets zeggen over de gemeenschap die nodig is om met alle verschillen samen te leven.

De diversiteit heeft te maken met een lange migratiegeschiedenis. Aandacht daarvoor zou een tegenwicht kunnen bieden aan de omschrijving van de Nederlandse geschiedenis als een ‘witte’ geschiedenis. Dat is een gruwelijke manier om een veelzijdig verleden te kleineren tot een kwestie van kleur. Bovendien, sinds wanneer is Rembrandt een ‘witte’ schilder, Erasmus een ‘witte’ humanist of Multatuli een ‘witte’ schrijver? Wie er even bij stilstaat ziet dat het zwart-witte beeld weinig verheldert en veel verdonkeremaant.

We moeten voorbij de etnische verkaveling van het verleden willen reiken. Mijn beide grootvaders zijn niet hier geboren. Ik zou zeggen: hun geschiedenis is onze geschiedenis. Sterker nog, we zijn allemaal nieuwkomers in een geschiedenis die we niet hebben gemaakt. Ongeacht herkomst kan iedereen zich dat verleden toe-eigenen om hier een toekomst op te bouwen.

Ik heb een paar jaar geleden een lesboek voor maatschappijleer herschreven. In de oorspronkelijke tekst stuitte ik op het gangbare idee dat Nederland vroeger homogeen was en pas na de oorlog divers is geworden. Dat is een misverstand: dit land was vanaf het begin verdeeld langs breuklijnen van geloof en herkomst, gewest en stand. Met vallen en opstaan is telkens geprobeerd om eenheid in verscheidenheid vorm te geven.

De canon is een uitnodiging om een verdeeld verleden tot een gedeeld verhaal te maken. Buelens concludeert: „Het is een gevaarlijk verlangen van een volk te verwachten dat het één en ondeelbaar is. Maar dat volk, veranderlijk en verbrokkeld, deelt wel dat ene land. Hoe verbeelden we die gemeenschap? Ik denk dat we beter daar onze tijd in kunnen steken dan het kapot relativeren van een natiegevoel dat vooralsnog toch altijd sterker blijkt.” Misschien moet de minister deze Vlaming eens op de koffie vragen.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.