Opinie

Asbest

Marcel van Roosmalen

Wij verzamelden in een café in Amsterdam-Oost, waar de opa van mijn kinderen afscheid nam van zijn werkende leven. Hij werkte bij de GGD en was dé asbestdeskundige van Nederland. Vlak voor zijn pensionering praatte hij langdurig de leden van de Eerste Kamer bij. Wat ik uit de samenvatting begreep is hij er een voorstander van om niet overhaast alle daken met asbest te vervangen, maar eerst maar eens te beginnen met de daken die er het slechtst aan toe zijn. Hij kreeg bij zijn afscheid onder andere een kampeergasfornuis, een pot vol zaden voor in de tuin en heel veel boeken, ook voor in de tuin denk ik.

„O ja? Is hij met pensioen?”, vroeg mijn moeder door de telefoon. „Waarom stond dat bij mij niet op de kalender?”

Geritsel.

„Nee, het staat er niet op. Als je het niet weet kun je ook geen bloemetje sturen.”

Ze wist ook al niet dat hij asbestdeskundige was.

„Asbest? Ik dacht dat hij dokter was. Een aardige dokter. Niet zo uit de hoogte als de dokters in Arnhem.”

Ze hadden elkaar een paar keer getroffen op verjaardagen van de kleinkinderen, maar dan had hij het nooit over asbest.

„Asbest”, herhaalde ze.

„Asbestdeskundige”, zei ik.

„Weet je wie er ook een asbestdeskundige was?”

Ze gaf zelf het antwoord: „Tante Ied.”

Tante Ied was haar oudste zus bij wie ze lang geleden noodgedwongen een tijd op kamers woonde.

„Op alle stallen lag daar asbest, dat was toen heel gewoon.”

Ik zei niets, maar ze schoot voor de zekerheid toch in de verdediging. „Wat zou jij erop leggen, dan? Voor dakpannen was echt geen geld. Kom jongen, je gaat toch niet op varkensstallen dakpannen leggen? Nee hoor, oom Jack legde overal asbest op, maar ja die kreeg toen dus die hartaanval. Waarschijnlijk omdat hij een wasmachine de trap op heeft gesjouwd. In je eentje een wasmachine tillen, dat kun je je toch ook niet meer voorstellen?”

„Nee”, zei ik.

„Maar tantje Ied bleef daarna wel achter met allemaal asbest. Dus daarom zeg ik dat tante Ied ook asbestdeskundige was.”

We vonden het beiden erg toevallig.

„Was het met eten?”, vroeg ze.

„Kaasblokjes en zo”, zei ik.

„Lekker”, zei mijn moeder, ze zei dat mijn vader ook van kaasblokjes hield. „Altijd met mosterd uit Zevenaar, zo’n klontertje op de rand van het bord.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.