Opinie

    • Ellen Deckwitz

Houten paard

Ellen Deckwitz

‘Door hem vond ik naamvallen opeens dragelijk”, fluisterde mijn zus toen de kist naar buiten werd gedragen. Het rouwcentrum was tot aan de toiletten toe gevuld. „Dat zijn de populairste uitvaarten”, zei de mevrouw van de koffie, „van docenten. Zelfs bestuurders of bekende Nederlanders trekken niet zulke volle zalen.” Ik heb mijn zus ook nog nooit zo zien huilen. Meneer Mulder, vijf jaar lang haar docent klassieke talen, was een tweede vader voor haar. Niet alleen omdat hij net als zij homoseksueel was (en de eerste tegen wie ze uit de kast kwam), maar ook omdat hij een honger in haar losmaakte naar taal. Mijn zus werd woest als ze op school iets moest leren waar ze het nut niet van inzag („Wat de FAK heb je aan linoleumgutsen”, schuimbekte ze een keer tegen de docent handenarbeid), maar ze deed niet moeilijk over Grieks en Latijn, naar eigen zeggen omdat het poëtisch was om dode talen weer tot leven te wekken door ze te leren. Wat ook hielp was dat haar brein één grote taalknobbel is en ze, zoals wel meer mensen, dol is op de dingen waarin ze uitblinkt.

„Vandaag begraven we een deel van mijn jeugd”, zei ze sip terwijl de stoet het graf naderde. „Opeens is er weer een persoon minder aan wie je dingen kan vragen. Opeens moet je het allemaal zelf kunnen oplossen.”

„Nou ja, je Oudgrieks is nog wel in vorm toch.”

„Misschien. Maar ik zal zijn verhalen zo missen. Hij speelde de hele Ilias na voor de klas. In zijn versie waren Achilles en Patrokles een nichteriger stel dan Bert en Ernie. Het enige waar hij geen grappen over maakte, was dat paard van Troje.”

‘Waarom niet?” „Omdat hij dat paard pure horror vond. De Trojanen haalden dat houten bakbeest binnen vanuit de overtuiging dat ze het hadden gered. Dat ze hadden gewonnen. Dat ze veilig waren.”

Nu was het onze beurt om een schepje aarde in het graf te werpen.

„Zo’n kist”, zei mijn zus toen we wegliepen, „is op zijn eigen manier een Trojaans paard. Iets dat het einde in zich herbergt. Dat maakt van het graf een soort verloren stad. En van het leven een lange belegering van de dood. Uiteindelijk eindigt het altijd met een houten bouwwerk, of dat nou een paard of een kist is.”

„Maar misschien dat hij in de onderwereld talloze schimmen Oudgrieks zal gaan leren”, probeerde ik haar op te peppen.

„Homerus schreef dat er een tijd voor woorden is, en een tijd voor slaap”, zei ze zacht. Haar schouders schokten. Lieve God, dacht ik, wat is het moeilijk om de taal achter te laten. En om iemand eindelijk de slaap te gunnen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.