Brieven

Brieven

De zorg dat in onze tijd, die door overgevoeligheid vatbaar is voor censuur, met het verdwijnen van de spotprent de persvrijheid op de tocht staat, is terecht (Gum de democratie niet uit, 15/6). Dat leert ook een korte blik in de geschiedenis van de spotprent. In 1830 werd Louis Philippe van Orléans na een liberale revolutie koning van Frankrijk. Zijn grondwet garandeerde de persvrijheid. Dat leidde tot de oprichting van het satirische weekblad La Caricature, waarvan Charles Philipon de hoofdredacteur was en Honoré Daumier de belangrijkste tekenaar, die de koning als ‘de Peer’ de geschiedenis instuurde. Philipon bedacht de onderwerpen en is dus ook de geestelijke vader van de Peer, die de koning volgens Heinrich Heine prachtig vond. Hetzelfde gebeurde in Nederland bij De Amsterdammer, voorloper van de huidige Groene. Daar zaten de tekenaars bij de redactievergadering, waarin de redacteuren het onderwerp voor de wekelijkse spotprent bespraken. De bekendste tekenaar was toen de scherpzinnige maar niet vlijmscherpe Johan Braakensiek, die satirisch tekende wat de redactie actueel en belangrijk vond.

Als de krant waarde hecht aan de getekende column, wat de spotprent is, zou die de tekenaars weer bij de redactievergadering kunnen laten aanschuiven, waar het onderwerp van de prent bedacht en aan de tekenaar opgegeven wordt. Beide bladen zijn overigens wel gestruikeld over spotprenten. Onder druk van de politiek die La Caricature haatte, schrapte Louis Philippe in 1835 de persvrijheid uit de grondwet, wat het einde van het blad betekende, en in 1914 splitste redacteur Henri Wiessing zich af van De Amsterdammer en begon De Nieuwe Amsterdammer, omdat hij de prenten van Braakensiek te braaf vond, en de voorkeur gaf aan de messcherpe prenten van onder meer Jan Sluijters. Een stevige redactionele relatie tussen krant en tekenaar kan de politieke prent en daarmee de persvrijheid redden.


historicus