‘Op YouTube kijk ik filmpjes van sollicitatiegesprekken’

Statushouders Ondanks de juiste papieren én werkervaring is het voor vluchtelingen moeilijk aan een baan te komen. „Het blijft steeds bij dat ene praatje, ik wil laten zien wat ik kan.”

Rami Arselan (32) is sinds 2017 in Nederland en op zoek naar een baan. Tot nu toe zonder succes, hoewel hij in Syrië een studie accountancy afrondde en acht jaar werkervaring heeft als boekhouder.
Rami Arselan (32) is sinds 2017 in Nederland en op zoek naar een baan. Tot nu toe zonder succes, hoewel hij in Syrië een studie accountancy afrondde en acht jaar werkervaring heeft als boekhouder. Foto Martijn Beekman

„Haitham, we hadden zó afgesproken dat je tijdens de presentatie je petje af zou doen, toch?” De jobcoach wrijft in haar handen en kijkt verontschuldigend naar het publiek.

Met een zwaai en een lichte buiging trekt de 55-jarige Haitham Kamel Bazerbashi het felblauwe petje van zijn hoofd. Om het dan weer op te zetten. Hij lacht naar het publiek en gaat verder met zijn verhaal. „Ik ben een civiel ingenieur uit Syrië en op zoek naar een baan in Nederland.”

Voordat de jobcoach hem opnieuw kan toespreken hopt hij van het podium, terug naar zijn stoel. Het publiek gniffelt. Op de achterste rij gaat een jonge recruiter staan, in donkerblauw pak en gele dinosaurussokken. „Ik ga je toevoegen op LinkedIn. Wij gaan even linken.”

Netwerken

De bijeenkomst waar Haitham Kamel Bazerbashi zich presenteert aan zijn, zo hoopt hij, toekomstige werkgever, is een van de vele initiatieven om statushouders kennis te laten maken met de Nederlandse arbeidsmarkt. Hard nodig, zo blijkt uit een in mei gepubliceerd rapport van de Sociaal-Economische Raad (SER). Want hoewel statushouders vaak beschikken over de juiste papieren én werkervaring, is het niet makkelijk in Nederland een baan te vinden.

Slechts een kwart van de volwassen statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, had in 2017 werk gevonden. 67 procent ontving een uitkering. De statushouders die wél werk vinden, gaan voor een groot deel aan de slag in tijdelijke, laaggekwalificeerde banen.

Gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en cultuurverschillen tussen de Nederlandse arbeidsmarkt en die in het thuisland noemt de SER als drempels. Maar de grootste barrière, dat is het ontbreken van een netwerk.

Rami Arselan (32), wit overhemd en zwarte pilotenbril, komt gehaast de bibliotheek van de Haagse Schilderswijk binnen. „School liep een beetje uit. De examens zijn over drie weken, dus we zijn extra hard aan het werk.”

Dat examen – Nederlands op B1-niveau – is voor hem van groot belang. Sinds 2017 is Arselan in Nederland en op zoek naar een baan. Tot nu toe zonder succes, ofschoon hij in Syrië een studie accountancy afrondde en acht jaar werkervaring heeft als boekhouder in Saoedi-Arabië. Nu vult hij zijn dagen met lessen Nederlands en af en toe vrijwilligerswerk als fietsmonteur of in de weggeefwinkel. Het valt hem zwaar.

„Voordat ik naar Nederland kwam, was ik al dertien jaar financieel onafhankelijk. Ik werkte en kreeg daarvoor geld. Hier in Nederland heb ik geen werk. Het enige wat ik doe is naar school gaan. Ik wil daar niet aan wennen. Ik wil zelf mijn geld verdienen.”

Taal is niet de enige barrière, zegt Wilma Roozenboom, directeur van Refugee Talent Hub, een organisatie die statushouders aan bedrijven koppelt. „De werelden van werkgevers en statushouders lopen te veel langs elkaar heen. Negen van de tien banen gaan via je netwerk, niet via officiële kanalen als vacatureplatforms. Heb je dat netwerk niet, dan zijn je kansen simpelweg een stuk kleiner.”

Verschil in werkcultuur

Integreren door werk, luidt de titel van het in mei gepubliceerde SER-rapport. Meteen aan de slag met de kwalificaties die je hebt, dan volgt de integratie vanzelf, is het idee. De SER ziet hier een duidelijke rol voor de gemeente en wil dat die statushouders beter en sneller naar de arbeidsmarkt begeleidt. Niet eerst jarenlang taalonderwijs, maar de taal leren op de werkvloer.

Arselan vindt dat een goed plan. Even aarzelt hij, want kwaadspreken wil hij niet. Maar dan zegt hij het toch. „Nederlanders organiseren graag evenementen voor vluchtelingen. Een rondje Den Haag, een praatavond. Op dat soort evenementen kunnen ze een kijkje nemen – wie we zijn, waar we vandaan komen. Alleen blijft het steeds bij dat ene praatje en dat is voor mij moeilijk. Ik wil niet alleen praten, ik wil laten zien wat ik kan.”

En juist daar loopt hij vast. Net als Haitham Kamel Bazerbashi bezocht hij verschillende bijeenkomsten voor werkgevers en vluchtelingen. Hij netwerkt en laat zijn cv achter, maar blijft steken op de taal en het verschil in werkcultuur. Vertwijfeld: „Op YouTube kijk ik als oefening filmpjes van sollicitatiegesprekken. Daarin wordt gezegd: solliciteren is moeilijk. Als het al moeilijk is voor Nederlanders, hoe moet ik het dan doen als vluchteling?”

Bluffen

Ook computeringenieur Jamshid Rahimi (34) benadrukt de cultuurverschillen op de werkvloer, die vaak al tijdens de sollicitatie zichtbaar worden. „In Afghanistan krijg je een baan door nepotisme, door familiebanden. In Nederland gaat het eerlijker, maar tegelijkertijd is het voor buitenstaanders ingewikkeld ertussen te komen. Je moet het expliciet vragen als je iets wil. Niet verlegen of bescheiden zijn, maar juist zo stoer mogelijk. Onderhandelen. Bluffen dat je iets kunt, zelfs als het niet zo is. En tegelijkertijd moet je óók eerlijk durven toegeven dat iets niet gaat lukken.”

Hij solliciteerde en solliciteerde, deed bijspijkercursussen binnen zijn vakgebied om zijn tijd én het gat op zijn cv te vullen, verbeterde zijn Nederlands en zat een jaar op een werkervaringsplek bij Rijkswaterstaat. Uiteindelijk vond Rahimi begin 2019, bijna drie jaar na het begin van zijn zoektocht, een vaste baan bij Greenpeace. Leuke collega’s en een prettige werkomgeving, maar qua werkzaamheden onder zijn niveau.

Waarom willen jullie me wél?, vroeg hij nadat hij was aangenomen. Omdat je overgekwalificeerd bent, luidde het antwoord. Oud-collega’s van zijn werkervaringsplek drukten hem op het hart de baan toch te nemen. „Vanuit een uitkering een baan vinden, is moeilijker dan shoppen tússen banen, vertelden ze me.”

Het succes van de bijeenkomsten voor statushouders is volgens Wilma Roozenboom lastig te meten. „Er is een groot aantal mensen die aan het werk moet worden geholpen en een klein aantal bij wie het daadwerkelijk lukt. Rechtstreekse matches kun je tellen, maar op indirecte is weinig zicht.”

Voor Rami Arselan is er een paar dagen later goed nieuws. „Ik ben naar een accountantskantoor geweest en ze hebben een stageplek voor me”, appt hij enthousiast. „Mijn taaldocent Peter heeft me voorgesteld en gaat ook verder kijken in zijn netwerk. Misschien is er in de toekomst betaald werk: wie weet!”