Monument voor lang verdwenen koning

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: Hoe de kunst van J. Paul Getty een glimmend thuis kreeg.
Illustratie Eliane Gerrits

Puffend in de Californische zon loop ik over smetteloos witte paden langs de fonteinen en sculpturen van het Getty Museum in Los Angeles. Met de vele pilaren van kalksteen en de locatie bovenop een berg doet het me denken aan de Akropolis in Athene.

In de strak vormgegeven gebouwen bewonder ik antieke beelden, werken van Cézanne en Van Gogh, een tentoonstelling over Bauhaus en, enigszins bevreemd, een lachende Rembrandt. Een gids vertelt me trots dat het museum de grootste klant is van Sotheby’s, maar ook van dure advocaten wegens de claims op mogelijk illegaal verkregen kunst.

J. Paul Getty richtte de Getty Oil Company op waarmee hij zich opwerkte tot de rijkste burger ter aarde. Hij had een passie, hier spreken ze van een verslaving, voor kunst. In een van de zalen hangt een foto van een tengere man, moederziel alleen tussen uitgestald porselein. Zoals veel rijken was hij excentriek. Op filmbeelden zie je hem joggen met zijn leeuw Nero. Zijn enorme nalatenschap was bestemd voor de aanschaf van kunst.

De vraag waar al die werken tentoongesteld konden worden, leidde tot dit gigantische complex. ‘Starchitect’ Richard Meier won de opdracht. Maar de rich and famous zagen het niet zitten ‘hun’ berg te delen met miljoenen museumbezoekers.

Ze boden weerstand door allerlei beperkingen op te leggen. Tevergeefs probeerden ze te voorkomen dat Meier alles, van de vloeren tot de muren, in wit travertijn zou uitvoeren. Dat zou immers hinderlijk de zon reflecteren. Maar Meiers architectonische droom staat er nu te glimmen. Voor 1,3 miljard dollar.

Ik hoor de echo van Rembrandts lach nog nagalmen als ik vanuit een bankje tussen identiek gesnoeide dwergplatanen naar beneden kijk. Door de June gloom, zoals ze smog hier noemen, kijk ik op de villa’s, tennisbanen en zwembaden van een van de duurste postcodegebieden van Amerika. Privacy is hier het kostbaarste privilege. Onderaan de berg glijdt als een trage slang de tienbaanssnelweg. In de verte blinkt de oceaan als een eindeloze spiegel.

Daar ligt Santa Monica, met op de pier het reuzenrad dat op elke ansichtkaart prijkt. Duizenden mensen lopen daar rond. Kinderen knagen op churros, een gefrituurde lekkernij. Op het strand, tot aan het water, staan auto’s rijen dik geparkeerd. Toen ik daar de avond tevoren was, zag ik een vrouw met een gezicht als een gerimpeld appeltje flessen uit vuilnisbakken vissen. Ze zeulde een stuk plastic achter zich aan dat ze in de vorm van een zak had geknoopt. Alle kleur was verdwenen uit haar goedkope slippers.

Hoog op de berg gezeten, denk ik aan het beroemde gedicht ‘Ozymandias’ van Percy Bysshe Shelley, over de restanten van een monument voor een lang verdwenen koning. Alleen de sokkel met twee benen staat er nog – van glimmend wit travertijn, zo stel ik me voor – met de tekst (hier in de vertaling van Renée Delhez).

‘Mijn naam is Ozymandias, der vorsten vorst:

Bezie mijn werk, gij Groten, met chagrijn!’

Niets rest er buiten dit: rond het verval

Van dat enorme wrak, reikt overal,

Vlak en verlaten, zwijgend de woestijn.

Reacties naar pdejong@ias.edu