Maria (20)

Foto Annabel Oosteweeghel

‘Iedereen weet wie mijn donorvader is, behalve ik’

Maria (20), verwekt met gedoneerd sperma, zou als ze 16 werd horen wie haar vader is. Maar het ziekenhuis heeft haar nooit gemeld dat de donor zich inmiddels had bedacht, en toch anoniem wilde blijven. „Bij elke vijftiger denk ik: dit zou mijn vader kunnen zijn.”

Ze kende haar vader niet. Hij was eigenlijk niet meer dan een A4’tje met daarop zijn kleur ogen en haar en enkele eigenschappen als ‘spontaan’, ‘ruimdenkend’ en ‘ondernemend’. Maria (20) is het kind van een alleenstaande moeder en een spermadonor. Maar ooit zou ze haar vader leren kennen, had haar moeder afgesproken met ziekenhuis Rijnstate in Arnhem waar zij werd geïnsemineerd. Die wetenschap bood rust op momenten dat ze zich afvroeg wie hij was.

In 1997, toen haar moeder met de hulp van een spermadonor zwanger raakte, konden vrouwen (of stellen) nog kiezen voor een anonieme donor, een zogeheten A-donor – sinds 1 juni 2004 is dat bij wet verboden. Bekende (B-) donoren waren er in de tijd dat haar moeder zwanger wilde raken ook al. „Dat is een donor die je mag ontmoeten als je zestien wordt”, zegt Maria (20).

„Daar stond mijn moeder op, het was echt een ethische grens voor haar. Een donor die altijd anoniem zou blijven wilde ze haar kind absoluut niet aandoen.” Dus koos ze voor een B-donor.

Maria noemt haar jeugd „volmaakt”. „Ik heb niets gemist. Mijn oma was als een tweede ouder. Ze woonde twee kilometer verderop, ik was daar elke dag na school.” Na het overlijden van haar opa, ze was toen twee jaar oud, vormde ze jarenlang met haar moeder en haar oma een gezin.

Toen Maria ongeveer vijf was vertelde haar moeder haar dat je op verschillende manieren een kindje kunt krijgen. „Zij had het zaadje van een aardige meneer gekregen. Voor mij was dat een doodnormaal verhaal.” Op de basisschool zag ze dat klasgenootjes soms door hun vader naar school werden gebracht. „Dan dacht ik wel eens: zo één zou ik er ook wel willen.” Maar dat was meer nieuwsgierigheid dan een concreet gemis, zegt ze. „Af en toe schreef ik mijn vader wel een brief. Dan vertelde ik bijvoorbeeld over de kippen die we hadden. Mijn idee was dat al die brieven samen hem een beeld van mijn jeugd zouden geven als ik hem zou ontmoeten.”

Zo lang ze zich kan herinneren wist Maria dat ze op haar zestiende de gegevens van haar vader kon opvragen. Meteen op haar zestiende verjaardag zou ze dat doen, was haar voornemen. Maar toen het zover was, in 2014, was ze toch niet toe aan de ontmoeting. „Ik was druk met school, ik had net een profiel moeten kiezen, maar ik was ook te kwetsbaar”, zegt ze achteraf. „Mijn hele leven had ik uitgekeken naar die ontmoeting. Stel je voor dat het tegenviel.”

Toen eind 2016 haar oma ongeneeslijk ziek bleek, werd de drang om haar vader te ontmoeten groter. Een ontmoeting boezemde haar nog altijd angst in. „Ik was bang dat hij mij niet zo belangrijk zou vinden als ik hem, omdat ik maar één vader heb en hij waarschijnlijk meerdere donorkinderen. En hij had zelf al drie kinderen toen hij donor werd, zo stond in zijn gegevens op dat A4’tje – het donorpaspoort.” Maar het risico dat haar oma zou sterven zonder dat ze ooit Maria’s vader kon ontmoeten, gaf voor haar de doorslag. „Dan kon ik mijn vader alleen nog maar over haar vertellen. En wat zij voor mij heeft betekend is eigenlijk niet in woorden te vatten.” Haar oma wilde Maria’s vader ook graag bedanken, wist ze. „Dat had ik haar heel erg gegund.”

In diezelfde periode vernam Maria’s moeder via de media dat bij ziekenhuis Rijnstate het maximale aantal donorkinderen per donor – 25 – in een aantal gevallen was overschreden. Toen ze het ziekenhuis om uitleg vroeg, bleek uit de mailwisseling die volgde dat Maria’s vader 43 donorkinderen heeft (later werden er nog 13 meer ontdekt). Bovendien stond hij ineens te boek als A-donor. Anoniem dus.

Ze was aanvankelijk vooral overdonderd door het nieuws dat ze meer dan veertig halfbroers en -zussen heeft. „Dat kon ik haast niet bevatten. Ik wist als enig kind überhaupt niet hoe het was om een broer of zus te hebben, laat staan zo veel. Misschien was ik er zonder het te weten al eens eentje tegengekomen.”

Dat haar vader anoniem donor zou zijn, bestempelde ze als een vergissing. „Ik dacht: het is vast een typfout. Maar mijn moeder was in paniek.” De vrees van haar moeder bleek terecht toen Maria een officiële aanvraag indiende bij de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (SDKB) om de gegevens van donor K34 te ontvangen. Drie maanden later, ze was met de trein onderweg naar het introductiekamp van haar studievereniging, belde haar moeder en zei dat er een brief was. „Daar stond in dat mijn vader weigerde zich bekend te maken. Dat kwam als een enorme klap, dat had ik echt niet aan zien komen.” Midden in de nacht haalde haar moeder haar met de auto op uit het kamp. „Ik zag het niet meer zitten, ik was zo verdrietig.”

Maria’s beeld van haar vader wankelde. „Ik was altijd heel positief over hem geweest; een vriendelijke meneer die mijn moeder hielp om een kind te krijgen. De gynaecoloog die bij hem de intake had gedaan, had nog op het formulier in de kantlijn gezet: aardige vent!” Vooral het feit dat haar vader niet heeft aangegeven waarom hij plotseling toch anoniem wil blijven, zit haar dwars. „Hij vond mij kennelijk niet eens een uitleg waard. Dat kan ik moeilijk rijmen met het beeld dat ik van hem had.”

Na veel gesoebat regelde het ziekenhuis dat een medewerker van het Fiom, een specialistische organisatie op het gebied van onder andere afstammingsvragen, contact met Maria’s donorvader opnam om hem om uitleg te vragen. „De medewerker van het Fiom vertelde na het gesprek met mijn vader dat zijn nieuwe vrouw – hij was hertrouwd nadat hij had gedoneerd – liever wilde dat hij een anonieme donor zou zijn.” Maria was verbijsterd. „Wij zijn daar nooit over geïnformeerd. Ik had het graag eerder willen weten. Nu kwam het op een moment dat ik heel kwetsbaar was.”

Over het moment waarop haar vader zijn status van bekend naar anoniem mocht veranderen, kan Maria alleen maar speculeren. „Elk antwoord dat ik kreeg op mijn vragen aan het ziekenhuis en de SDKB leverde nieuwe vragen op.” Het meest waarschijnlijke is dat het in 2004 gebeurd is, toen de Wet Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting in werking trad. „Het ziekenhuis heeft naar eigen zeggen toen alle actieve donoren benaderd met de vraag of zij verder wilden als B-donor of wilden stoppen met doneren. Een aantal B-donoren heeft toen aangegeven met terugwerkende kracht anoniem te willen zijn.”

Maria verwijt haar moeder, die zich enorm schuldig voelt over de situatie, niets. „Ze vindt dat ze beter had moeten opletten; dat ze om een contract met hem had moeten vragen, of zaken bij de notaris had moeten vastleggen. Maar ik begrijp wel dat je een dokter in een topklinisch ziekenhuis gewoon vertrouwt.”

De kwestie heeft een hele poos het leven van moeder en dochter beheerst. We bleven maar praten over wat er aan de hand zou kunnen zijn, zegt Maria. „Welke bezwaren heeft zijn vrouw dan? Waarom gaat hij daarin mee? Wanneer is hij nu precies A-donor geworden? Waarom mocht dat zo maar? Om gek van te worden.” Maria miste colleges, omdat ze zelf allerlei informatie wilde achterhalen. „Ik ben ook een tijdje obsessief bezig geweest met het bouwen van stambomen via informatie uit DNA-databanken, maar daar ben ik mee gestopt.”

Lees ook: Anoniem zaad en eicellen doneren – het gaat maar door

Ze heeft een advocaat in de arm genomen en die bereidt sinds oktober 2018 een rechtszaak tegen het ziekenhuis en de SDKB voor. De Wet Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting is voor alle partijen onduidelijk op dit punt, zegt ze. „Dus probeer ik het via de rechter helder te krijgen en zo te achterhalen wie mijn vader is.” Ze is een van de eersten die juridische stappen onderneemt. In zekere zin voelt ze zich ook verantwoordelijk voor andere mensen in haar situatie.

Het gaat haar niet meer om een ontmoeting met haar vader, benadrukt ze, hoewel ze graag zijn stem had willen horen en hem had willen bedanken dat hij haar moeder destijds heeft geholpen. „Ik wil gewoon zijn gegevens, zodat ik weet van wie ik afstam. Hij hoeft niet bang te zijn dat ik voor zijn deur sta. Desnoods regelt hij voor de zekerheid een straatverbod.” Ze begrijpt niet waarom het haar zo moeilijk wordt gemaakt. „Het ziekenhuis, de SDKB, het Fiom; iedereen weet wie het is, behalve ik. Bij elke vijftiger die ik tegenkom denk ik: dit zou mijn vader kunnen zijn.”

Mocht ze de rechtszaak winnen, zal het voor haar oma te laat zijn, die is inmiddels overleden. Zelf verwacht ze vooral heel opgelucht te zijn. „Ik verlang naar de rust van het ‘weten’.”

Maria, die wel op de foto wilde, wil niet in NRC met haar achternaam. Deze is zeldzaam, en ze wil kunnen solliciteren zonder dat potentiële werkgevers dit verhaal als eerste zien als ze haar naam googelen.