Franco Zeffirelli maakte popcultuur van klassiekers

Necrologie Zijn Romeo and Juliet uit 1968 gold lange tijd als de ultieme Shakespeare-verfilming. Film- en theatermaker Franco Zeffirelli (1923-2019) was de grote popularisator van de klassieke opera’s en toneel

Franco Zeffirelli in zijn huis in Rome, 2014.
Franco Zeffirelli in zijn huis in Rome, 2014. Foto Alessandro di Meo

Stel je voor. Het is 1968. Overal ter wereld komen jongeren in opstand tegen het gezag. En dan brengt een Italiaanse theater- en operaregisseur opeens een wervelende verfilming van Romeo and Juliet uit. Dat klassieke toneelstuk van William Shakespeare waarin twee jonge mensen hun liefde ten onder zien gaan aan het gekonkel en gecomplotteer van hun in een bloedige vete verwikkelde families.

De in 1923 in Florence geboren Franco Zeffirelli deed nog iets heel anders. Geheel in pas met de tijdgeest castte hij jonge acteurs die nauwelijks ouder waren dan Shakespeare ze had beschreven. En hij liet ze de liefde bedrijven. Gewoon zoals echte mensen dat doen. Naakt. Het was alsof Zeffirelli met zijn enscenering het opstandige en jeugdige elan van die dagen een gezicht had gegeven. En een naam. Of beter twee: Romeo en Julia.

Als zijn enscenering niet zo klassiek was geweest, maar iets meer oog had gehad voor de mode en de muziek van die dagen, dan had Zeffirelli net als Australiër Baz Luhrman met zijn flamboyante alt-rock versie in 1996 de definitieve film van de tegencultuur kunnen maken.

Franco Zeffirelli stierf dit weekend op 96-jarige leeftijd in zijn huis in Rome na een lang en werkzaam leven. Hij ensceneerde tientallen films en tv-producties en bracht meer dan 100 opera-ensceneringen op de planken van alle grote operahuizen ter wereld.

Zeffirelli was de grote popularisator van de klassieke opera’s en toneelstukken die hij het liefste regisseerde, en was daarin niet onomstreden. Hij maakte ze eerder toegankelijk dan dramatisch.

Zeffirelli kwam de film- en theaterwereld binnen als protegé van die andere Italiaanse regisseur van het flamboyante: Luchino Visconti. Eerst als setdesigner en acteur van diens theatergezelschap, later als regieassistent, onder andere van een aantal hoogtepunten van het stilistisch sobere neorealisme als La terra trema (1948) en Bellissima (1951). Tot het tijd was om uit diens schaduw te treden.

Een vernieuwer was hij niet. Zijn ensceneringen deden meer aan de spektakelfilms van het oude Hollywood dan aan de operatraditie denken. Al regisseerde hij ook Maria Callas in een achterstevoren vertelde versie van La traviata (1958). Maar ze brachten hem succes. Hij wist popcultuur te maken van klassiekers. Zo gaf hij Mel Gibson de hoofdrol in zijn Hamlet (1990): van actiester naar tobbende held.

Twijfel was hem zelf niet gegeven. In interviews beschreef hij zichzelf schaamteloos als een groot regisseur. En toen hij midden jaren negentig uit de kast kwam als homoseksueel en zich tegelijkertijd nadrukkelijk met de orthodoxe kanten van het katholicisme affilieerde kwam hem dat op veel kritiek te staan. In die periode zou hij ook toetreden tot de Italiaanse Senaat voor Silvio Berlusconi’s rechts-populistische Forza Italia-partij. Zijn laatste twee films Tea With Mussolini (1999, met al zijn favoriete Britse actrices als Judi Dench, Joan Plowright en Maggie Smith) en de Maria Callas-biopic Callas Forever (2002) met de Franse actrice Fanny Ardant, werden wisselend ontvangen. Gezien de titels zijn die films misschien zijn meest autobiografische werken geweest.