Wilco Kelderman: „Wielrennen is een hele eerlijke sport.”

Foto Katrijn van Giel

Wilco Kelderman: ‘Ik koers niet om alleen maar te helpen’

Interview | Wilco Kelderman In de afgelopen drie jaar viel Wilco Kelderman vier keer zo hard dat hij meerdere botten brak. Steeds moest hij zich terugvechten. Een paar weken voor de Tour is hij bevrijd van een beklemmende nekbrace. „Ik zal er staan voor Tom. Daar kan hij op rekenen.”

Het is een nogal drukke weg, de N78 pal over de grens in Lanaken, dus als Wilco Kelderman (28) op de elektrische fiets van zijn vrouw moet oversteken omdat Mombassa Coffeemakers nu eenmaal aan de andere kant ligt van waar zijn woning staat, moet hij halt houden voor langsrazend verkeer. Je ziet gelijk waar het aan schort: als hij links over zijn schouder wil kijken moet hij zijn hele bovenlichaam indraaien. Pijn doet het niet meer, maar na een gebroken nekwervel duurt het even voordat plotsklaps bewegen weer vertrouwd voelt. „Het is wat stijf”, zegt hij als hij aan een tafeltje is gaan zitten. „Nog niet zoals het zou moeten.”

Het is de vierde keer in drie seizoenen dat Wilco Kelderman, beoogd kopman of op zijn minst meesterknecht van Tom Dumoulin, tijdens of in aanloop naar een grote ronde hard op zijn gezicht gaat, botten breekt en zich in zijn uppie vanuit lintdorp Lanaken terug moet zien te vechten naar de top van het mondiale wielrennen. Sinds maart 2017: twee keer een complexe vingerbreuk, een complexe sleutelbeenbreuk inclusief verbogen plaat die het bot toch al bijeenhield, nog eens dat sleutelbeen maar nu met een bedrukte zenuw door diezelfde plaat, en in maart van dit jaar een gebroken sleutelbeen én dus die nekwervel, niet ver van zijn schedel. Ergens in Noord-Spanje stuurt hij een eenvoudige bocht naar links veel te hard in en slaat hij als een twijgje kapot tegen het asfalt. Wéér geen Giro, wéér revalideren. En dit keer het ergste: hij moet in een nekbrace. Zes lange weken. Net nu hij vader is geworden. Dochter Juul is dan twee maanden oud.

Hoe was de afgelopen periode voor je?

„Heftig. Ik heb al redelijk wat meegemaakt, en elke keer denk ik: het kan niet slechter. En dan wordt het tóch slechter. Die brace was ook gewoon erg beklemmend.”

Telt het op, al die valpartijen?

„Ik heb me wel afgevraagd of het nu niet een keer klaar kan zijn. In het begin moest ik niet denken aan fietsen. De hele tijd die blessures, terwijl je er alles voor doet.”

Wanneer is voor jou de grens bereikt?

„Ik weet niet of die grens bij mij bestaat. Tot nu toe vind ik fietsen nog te leuk. Ik heb nog te veel om te laten zien.”

Zwaar, om steeds te moeten revalideren.

„Dat is het niet zozeer. Je herstelt, krijgt weer energie, wil weer bezig zijn. Nu voel ik me weer bijna als normaal. Het was gewoon effe zes weken doorbijten.”

Je doet het voorkomen alsof het makkelijk was.

Hij lacht cynisch. „Ik heb het inmiddels ook wel een aantal keer meegemaakt, begin er ervaring in te krijgen. Ik weet nu dat ik rustig moet blijven. Het is kut, maar het wordt beter.”

Heeft je dochtertje bijgedragen aan je herstel?

„Oh zeker. Ze zorgde voor afleiding. Het is nu een stuk socialer dan toen ik thuis op de bank alleen maar aan fietsen zat te denken. Ze is zo’n vrolijk meisje. Ik was de afgelopen tijd elke dag bij haar. Eerdere blessures vraten veel erger aan me. Dan had ik dagen waarop ik dacht: shit, wat moet ik nou? Als wielrenner leef je alleen maar voor de sport, en als je dan een blessure hebt kun je niks meer, héb je ook verder niks. Moet je dan een andere hobby gaan zoeken? Juul heeft veel veranderd. Alles draait nu om haar. In het begin was het frustrerend: ik kon haar door die nekbrace niet knuffelen, niet optillen. Maar het ging gauw beter.”

Over Kelderman wordt al sinds zijn juniorentijd gezegd dat hij het allergrootste wielertalent van Nederland is, beter zelfs dan Tom Dumoulin, nu zijn kopman bij Sunweb. Zijn jeugdtrainers kwamen twee jaar geleden in NRC superlatieven tekort in hun poging een waarachtig toekomstbeeld van hem te schetsen. De schriele jongen uit Barneveld was rijp voor de overwinning in een grote ronde. Als Dumoulin het kon, dan hij helemaal. Sinds Kelderman bij de nieuwelingen wedstrijden begon te winnen, rond zijn zestiende, draagt hij dat juk van verwachting met zich mee. En niet zelden zit hem dat in de weg.

Van jou wordt gedacht dat je een zeer talentvolle wielrenner bent.

„Ja, en dat klopt ook wel.”

Maar het komt er nog niet uit. Deel je die mening?

„Nee. Ik heb al veel dingen laten zien, rijd bijna podium in een grote ronde [de Vuelta van 2017, Kelderman werd vierde]. Het is allemaal niet zo makkelijk als mensen denken. Kijk, je kunt wel hard trappen, maar dat kunnen er meer. Mensen doen net alsof ik 50 procent beter ben dan de rest. Dat wordt verkeerd ingeschat.”

Tom Dumoulin had het laatst over de puzzel die een grote ronde is. Kan jij die puzzel dan minder goed oplossen?

„Hoe rustig Tom bleef in die Giro die hij won, dat vind ik superknap. Hij had bepaald niet de sterkste ploeg om zich heen, maar toch hield hij die rust. Hij is tactisch heel slim.”

Ben jij dat ook?

„Ik denk dat als ik in die leiderstrui had gereden mij dat niet gelukt was, nee. Je hebt het gevoel dat iedereen je aan wil vallen, dus je voelt je eenzaam, neemt de verkeerde beslissingen.”

Zie jij jezelf ooit een grote ronde winnen?

„Nou, dat denk ik niet, nee. Er zijn renners die bergop harder rijden dan ik. De broertjes Yates, die Colombianen: Bernal, Lopez. Die hebben ook hun gewicht mee.”

Maar het is Dumoulin toch ook gelukt?

„Alles zou mee moeten zitten.”

Je kunt het je echt niet voorstellen he?

„Nee.”

Bijzonder. De meeste topsporters gaan voor dat ene doel.

„Je kunt wel de hele tijd zo’n doel najagen, maar als dat niet realistisch is gaat het alleen maar tegen je werken. Dat schiet niet op. Mét Tom kan ik een grote ronde winnen. Als knecht. Misschien zit er in de toekomst wel een podiumplaats in, of een overwinning in een kleiner rondje. Maar je zegt toch ook niet tegen een Nederlandse marathonloper dat hij 2.06 moet gaan lopen?”

Durf je wel groot te dromen?

„Toen ik vierde werd in de Vuelta zat ik in een flow. Elke dag voelde mijn benen weer goed. Ik dacht: jezus, wat is dit? En toch waren er drie beter. Wielrennen is een hele eerlijke sport.”

Wilco Kelderman omschrijft zichzelf als iemand die er vooral van geniet zich voor collega’s het snot voor de ogen te fietsen. Eerst een ander, dan hij. Die karaktertrek zorgde ervoor dat hij op 29 maart in de Ronde van Catalonië voor de zoveelste keer tegen het asfalt ging en maanden aan de kant stond. Er was een renner vooruit, en Kelderman, gestart met klassementsambities, besloot vol op kop te gaan rijden om te zorgen dat collega Michael Matthews de etappe kon winnen. „Ik dacht: die gast móet terug.”

Waarom denk je niet aan jezelf?

„Zo zit ik niet in elkaar. Ik wil graag wat voor anderen doen, beter dat dan lekker relaxed naar de finish bollen. Anders zit ik achteraf misschien met het idee dat we hadden kunnen winnen als ik…”

Laat je je dan gek maken?

„Niet door anderen, maar door mezelf. En dan zoek ik te veel het randje op.”

Je hoort ook wel: Kelderman kan niet sturen.

„Dat is onzin.”

Vraag je je nooit af waarom je zo vaak valt?

„Dat valt wel mee, maar telkens als ik val, breek ik wat. Ik val nou nooit dat ik denk: ah, ik heb een schaafwondje en ik rijd weer door.”

Kan het niet komen omdat je onzeker op je fiets zit?

„Nee, want ik voel me gewoon goed op mijn fiets, zit niet verkrampt of zo. Anders had ik wel achteraan gereden.”

Doe je aan mentale begeleiding?

„Heb ik wel gehad, maar gesprekken met mijn vrouw leverde meer op. Ik heb nog wel veel contact met mijn oude trainer, Mathieu Heijboer. Die kent mij goed, is als een vriend voor me. Met sommige dingen worstelde ik al op jonge leeftijd. Ik werd kopman, mensen begonnen dingen van me te verwachten en ik had het gevoel dat ik een ander persoon moest spelen dan ik ben. Ik werd in een hokje gestopt, moest mondiger zijn, met mijn vuist op tafel slaan, meer emoties tonen. Maar ik wilde dat helemaal niet. Bij mij gaat leiderschap op een andere manier.”

Hoe dan?

„Rustig. Etappes goed voorbereiden, bij de teambespreking het woord nemen, ’s avonds op de kamer met de jongens overleggen wat voortaan beter kan. Als je je eenmaal op je plek voelt ergens, durf je ook meer.”

Ben je timide?

„Ik ben wel gereserveerd, vind het soms moeilijk om kritisch te zijn op iemand.”

Waarom?

„Omdat ik met iedereen vrienden wil zijn. Maar ik heb nu wel ingezien dat dat niet kan. Als er iets niet goed ging in de koers dan zeg ik er wat van, wie het ook is. Dat heb ik moeten leren. Komt ook met de leeftijd.”

Je hebt nog een paar weken tot de start van de Tour. Ga je daar al in topvorm zijn?

„Ja, want ik heb echt niet stilgezeten met die nekbrace. Ik heb anderhalve week niks gedaan, en toen ben ik binnen op een hometrainer gaan zitten. Drie dagen van twee uur, een dag rust, en weer door. Constant tempoblokken, volle bak. Zeker in mijn eentje kan ik mezelf helemaal naar de klote rijden. Omdat ik steeds beter wil, ik wil die pijn voelen. Dat is ook wel een valkuil. Ik kan makkelijk vervallen in het extreme. Dan heb ik iemand nodig die zegt: Wilco, doe nou maar iets rustiger, het is genoeg.”

Heb je enig idee wat je in de Tour kan?

„Ik wil vrijuit kunnen koersen, maar we zien het wel. Eerst maar eens kijken welk niveau ik kan halen. Ik heb geen zin om risico’s op te zoeken, maar in elk geval ben ik er 100 procent voor Tom. Daar kan hij op rekenen.”

Is dat ook niet meer wie jij bent, in dienst rijden van iemand?

„Soms denk ik: ik ben in de schaduw beter. Maar aan het begin van dit seizoen zou ik bijna nergens voor eigen kansen kunnen rijden. Daar ben ik toch een te goede renner voor? Ik koers niet om alleen maar te helpen. Tegelijkertijd moet je ook realistisch zijn: niet iedereen kan kopman zijn. Het geeft ook voldoening als Tom straks in het geel staat.”

Of Wilco Kelderman in het geel!

„In de Ronde van Zwitserland heb ik in de leiderstrui gereden. Maar dan zakte ik er op een gegeven moment doorheen. Omdat ik leeg was, niet goed at.”

Is dat onder de druk bezwijken?

„Dat dacht ik ook altijd, maar volgens mij ben ik mentaal juist een van de sterkste personen die er is, hoe ik me elke keer terugknok van zo’n blessure. Er zijn niet veel renners die zo stabiel kunnen rijden als ik.”