Merlijn Doomernik

Roxane van Iperen: ‘We denken de oorlog te kennen. Nou nee’

Interview Over het huis waarin ze was gaan wonen, gingen allerlei verhalen. Schrijfster Roxane van Iperen zocht de geschiedenis uit en schreef een nu bekroond boek, ’t Hooge Nest. ‘Veel mensen hebben na de oorlog hun mond gehouden.’

De rijtjeshuizen aan de ene kant van de straat liggen in de gemeente Huizen, aan de overkant begint Naarden. Daar staat, op de grens van bos en een verwilderd heideveld, één huis. Het trekt al van ver de aandacht: rieten dak, donkerrode luiken, een grote, halvemaanvormige dakkapel die geflankeerd wordt door twee pontificale schoorstenen.

De villa stond driekwart eeuw geleden nog verscholen in het bos, met nota bene zijn kont naar de onverharde weg, vertelt Roxane van Iperen, die er nu de vrouw des huizes is. Het dichtstbijzijnde huis lag toen hemelsbreed driehonderd meter verderop. En net dát was het huis waar NSB-leider Anton Mussert zich verschool in de meidagen van 1940, toen Duitse militairen Nederland binnenvielen en hij vreesde voor represailles. Tijdens de oorlog bleef Mussert in de buurt komen: zijn minnares woonde verderop in Naarden.

Wie ’t Hooge Nest las, de bestseller waarmee Van Iperen deze week de Opzij Literatuurprijs 2019 won, weet waarom dat zo’n frappant toeval is. De villa was tijdens de oorlog een centrum van Joods verzet en huisvestte zeventien Joodse onderduikers.

Terwijl Musserts liefdesnest een soort NSB- bedevaartsoord werd (inmiddels door hoge heggen aan het zicht onttrokken), kende niemand in de buurt nog die opmerkelijke geschiedenis van ’t Hooge Nest, toen Roxane van Iperen (1976) de villa zeven jaar geleden leerde kennen.

„Toen we het huis net gekocht hadden, bivakkeerden we een poosje in een caravan in de tuin – zo kon de vorige eigenares, een gepensioneerde lerares, rustig iets anders zoeken en afscheid nemen. In die tijd vroeg ik wel naar de geschiedenis van het huis, gewoon uit nieuwsgierigheid, en ook omdat ik verschillende verhalen opving. Er hadden tijdens de oorlog verzetsstrijders gezeten, zei de een. Nee, Joden, zei een ander. Nee, Duitsers! NSB’ers! Ja, eh? Ik ben niet iemand die dat dan laat zitten – ik ben nogal feitelijk gemotiveerd. Ik wilde weten hoe het zat.”

Gewoon, om dat even te weten te komen?

„Ja, zonder bijbedoelingen nog. Dat soort onderzoek vind ik heerlijk, voor mijn werk als journalist en jurist doe ik dat ook graag.”

Daar kwam nog bij dat, toen het huis na dertig jaar ineens weer verbouwd werd, er opmerkelijke dingen opdoken. Opmerkelijk veel opbergruimtes op zolder. „Ja, die hebben we opengebroken, zonder erbij stil te staan.” De afdruk van een bel, aan de binnenkant van de voordeur, die bleek te horen bij een oud alarmsysteem. „Waarom zit er zoiets, in zo’n huis?” Een luik, met daaronder een flinke kruipruimte waar kaarsstompjes, verzetskrantjes en bladmuziek in lagen. „Die stopten we terug en we legden er een vloer overheen. Stom, maar ja, tijdens een verbouwing ben je meer bezig met het in stand houden van je huwelijk dan dat je vermoedt dat een geweldige verzetsgeschiedenis nou net in jouw huis is voltrokken.”

Later, toen rondvragen onder Naardenaren en Huizenaren niets opleverde, ging ze zoeken in archieven en boeken. „In Kopgeld van Ad van Liempt [over mensen die ondergedoken joden opspoorden en hen aangaven voor geld, red.] vond ik al onmiddellijk een vermelding van ’t Hooge Nest. Hier deed een van de allerergste Jodenjagers, Eddy Moesbergen, een van zijn allergrootste vangsten. Ik kwam best veel vermeldingen van ’t Hooge Nest tegen in belangrijke historische werken. Als plek waar een antifascistische actiegroep zijn uitvalsbasis had. Als groot onderduikadres. En heel gauw dacht ik: waarom is het huis telkens slechts een voetnoot?”

Stukje bij beetje werd het Van Iperen duidelijk dat er zich tijdens de Tweede Wereldoorlog veel had afgespeeld in ’t Hooge Nest. Twee Joodse zussen, Janny en Lien Brilleslijper, afkomstig uit Amsterdam, namen er begin 1943 hun intrek, met hun gezinnen. Het werd een toevluchtsoord voor steeds meer onderduikers. Op het hoogtepunt zaten er tientallen Joden, jong en oud, terwijl Noord-Holland judenrein verklaard werd. Verscholen in het bos hoefden de onderduikers zich niet in achterhuizen of kasten te verstoppen – kinderen speelden in de tuin, volwassenen musiceerden. Tot het, misschien onvermijdelijk, toch zou misgaan.

Wanneer werd jou duidelijk dat dit verhaal meer waard was dan een voetnoot?

„Ik vond het zelf al heel gauw interessant, maar vond daarin niet echt bevestiging in mijn omgeving. Dat kwam ook door een houding tegenover oorlogsverhalen die ik veel bij leeftijdsgenoten zag. Kennen we al, weten we al, blasé. Die vermoeidheid als mensen praten over die ééuwige discussies rond 4 en 5 mei – wat hebben we er nog mee, kan het niet ook over andere oorlogen gaan. Heel veel mensen vinden dat ze het allemaal al weten.”

En dat is niet zo?

„Je hoort vooral een eenzijdig verhaal. Alsof al onze opa’s in het verzet zaten. Of het verhaal: we wisten niet wat er gebeurde of konden er niets aan doen. Maar als ik die mensen in mijn omgeving bijpraatte over wat ik boven water had gekregen, over het huis en de twee Joodse vrouwen uit de laagste Amsterdamse klasse, die spilfiguren waren in het verzet, waren ze verbaasd. Joods verzet? Vrouwen? Oh?”

Merlijn Doomernik

Dat was een nieuw verhaal?

„Voor historici en ingevoerden is het geen verrassing, maar ik wilde de zussen graag een podium geven voor een groot publiek. Er is een grote diversiteit aan verhalen die niet onderkend wordt, of zelfs ontkend. Dat bewees wel de Forum voor Democratie-senator Toine Beukering, die een hoge functie bij Defensie had en zegt alles over de Shoah te hebben gelezen, en die vorige week in De Telegraaf durfde te zeggen dat Joodse mensen zich als ‘makke lammetjes’ de dood in hebben laten voeren. Dan valt er nog wat bij te leren.”

Hoe verklaar je dat het verhaal van ’t Hooge Nest nog niet uitgezocht was?

„Daar heb ik veel over nagedacht. Ten eerste ben ik ervan overtuigd dat we maar 1 procent van de oorlogsverhalen kennen. De meerderheid kennen we niet, om het simpele feit dat zovelen nooit zijn teruggekeerd en dus geen getuigenis hebben kunnen afleggen. En voor wie het wel overleefde, stond echt geen traumateam klaar, er was nauwelijks meer een Joodse gemeenschap over, mensen werden bruut ontvangen. Ik kan me voorstellen dat wanneer grote aantallen mensen uit je gemeenschap niet zijn teruggekeerd, jij als Joodse verzetsstrijder niet even gaat vertellen dat je drie kinderen hebt gered? Of papieren hebt vervalst?”

Maar ook hier in de omgeving was de geschiedenis onbekend, constateerde je.

„De Gooi- en Vechtstreek zat, net als andere gegoede gebieden, denk aan Amsterdam-Zuid, vol NSB’ers. Daarnaast hebben veel mensen na de oorlog hun mond gehouden. Er heerste een sfeer van wederopbouw: we moeten dóór, er niet in blijven hangen. Zo krijg je geen waarachtige overlevering.”

Van Iperen, die eerder de roman Schuim der aarde publiceerde, schreef het verhaal van Janny en Lien op met het instrumentarium van de romancier. Geen afstandelijke geschiedschrijving, maar scènes waarin ze de historische personen sprekend en handelend opvoert, en voelend.

„Ik wilde dat het boek een fuik werd waar je als lezer inliep, zoals mensen tijdens de oorlog ook zonder het te beseffen in een onomkeerbare situatie belandden. Eerst raken de Joden hun baan kwijt, maar heerst er ook het gevoel dat het nog wel bijtrekt, over zal gaan. In het tweede deel, als ze moeten onderduiken, wordt de ademruimte al kleiner. Ten slotte verdwijnt die helemaal, als ze weggevoerd worden naar Auschwitz.”

Je schrijft de personages woorden en gevoelens toe. Kan dat wel, in non-fictie?

„Daar heb ik ontzettend over getwijfeld, maar ik wilde het zo graag. Ik probeerde het aanvankelijk in de traditionele non-fictievorm, maar dan werd het: Roxane van Iperen vertelt het verhaal van Janny Brilleslijper. De vaart ging eruit, ik moest zo veel mogelijk uit beeld verdwijnen. Het is een volstrekt op feiten gebaseerd boek, maar als je non-fictie iets beeldender maakt, komt het meer binnen. Ik besloot het te proberen: als het moralistisch of sentimenteel werd, zou het alsnog de prullenbak in gaan.”

Je hoort vooral een eenzijdig verhaal. Alsof al onze opa’s in het verzet zaten

In de verantwoording schrijf je dat je gebruikmaakte van de persoonlijke memoires van Janny. Wat haalde je daaruit?

„Dat zijn verhalen die ze in 1986 en 2001 voor haar intimi op papier zette. Heel secuur en eerlijk, grappig soms ook. Dat wás Janny. Iemand die niet om de dingen heen dartelt. Ze vertelt over de sfeer in het huis en in de kampen, de gesprekken en discussies, de angst en waarom ze toch doen wat ze doen. Maar ook wat ze rook bij aankomst in Auschwitz: dat bleek de geur van verbrand haar te zijn.”

Ze kon dus ook afstand nemen tot haar ervaringen. Was je niet bang dat die herinneringen verfraaid of gekleurd zouden zijn?

„Dan zegt dat nog steeds veel over haar karakter, over hoe ze er gevoelsmatig mee omging. Maar feitelijke beweringen controleerde ik altijd, en als dat niet lukte, liet ik ze weg. Daaruit bleek wel dat álles wat feitelijk te checken was klopte, dus zo goed is het geheugen van Janny echt geweest. Toen ik het haar zoon liet lezen, zei hij: ‘Je hebt de stem van mijn moeder gevonden’.”

Helemáál ontkom je niet aan kleuring.

„Dat is per definitie zo, als je een verhaal vertelt, fictie of non-fictie. Ik ben gek op de biografie van Maaike Meijer over Frederike Harmsen van Beek, ook om hoe zij het heeft opgeschreven. In de keuzes die een schrijver maakt, kun je altijd de hand van de maker herkennen. En ik ben helder over wat ik doe: ik ben geen historicus, in die zin valt er al een pretentie weg.”

Van ’t Hooge Nest werden sinds november zo’n 40.000 exemplaren verkocht. Een onverwacht succes, in het al zo omvangrijke genre van de oorlogsgeschiedenissen. „Het verbaast mij ook. Ik krijg brieven van mensen die zeggen dat het boek een opening biedt voor een gesprek dat ze nooit hebben kunnen voeren. Daarom weet ik ook zo zeker dat een grote diversiteit aan oorlogsverhalen belang heeft. Het levert een complexer en daardoor waarachtiger beeld op. Ik doe ook liever geen uitspraken over de actualiteitswaarde van dit boek. Dan zou ik gebeurtenissen die ik in alle complexiteit probeer te tonen, weer versimpelen tot een moralistische les.”

Merlijn Doomernik

De vraag ligt wel voor de hand, met de terugkeer van extreem-rechts in de politiek, door heel Europa.

„Als je een parallel trekt, komt al gauw de suggestie dat de uitkomst hetzelfde is, maar dat is niet te zeggen. Je kunt een parallel zien in een debat waar het antwoord op economische problemen in culturele oorzaken wordt gezocht. Hoe dan ook tonen die vraag en de populariteit van oorlogsboeken dat die tijd nog zó’n cruciaal referentiepunt in onze culturele identiteit is.”

Nog steeds?

„In mijn werk als jurist verdiepte ik me in corporate fraude: hoe in een bedrijfshiërarchie honderd of duizend mensen van een misstand af kunnen weten en toch allemaal hun mond houden. Denk aan Volkswagen, denk aan sjoemelsigaretten. Het collectief is verantwoordelijk, dus niemand voelt zelf nog morele verantwoordelijkheid.”

Daarin zie je een verband met de Tweede Wereldoorlog?

„Die overdracht van moraliteit aan een hoger gezag is wat ook in Nederland gebeurde: de Duitsers hadden een nieuwe richtlijn ingevoerd, de gezagsgetrouwe burgers accepteerden dat – vooral die in de hoogste kringen. Toen ik voor mijn vorige boek onderzoek deed naar Brazilië, kwam ik erachter dat het, in tegenstelling tot Argentinië of Chili, geen tribunaal heeft gehad na afloop van de dictatuur. In Brazilië werd een amnestiewet aangenomen. Er heeft nooit loutering plaatsgevonden: niemand van de daders is veroordeeld, waardoor er een cultuur van straffeloosheid is ontstaan, en onbetrouwbare overheidsinstituties. Maar de geweldepidemie wordt door de zittende politiek toegeschreven aan arme, zwarte mensen. Het gebrek aan loutering verklaart daar zoveel hedendaagse problemen.”

Is Nederland ook te weinig gelouterd na de oorlog?

„Wat weten doorsnee mensen van de rol van de advocatuur, het notariaat, de rechterlijke macht in de oorlog? Dat de NS nu pas gaan reflecteren op hun rol bij deportaties, is maar één voorbeeld daarvan. Als we een gesprek willen voeren over onze gedeelde waarden, over collectieve identiteit, moeten we weten wat onze achtergrond is, wat er hier allemaal gebeurd is. Onze collectieve identiteit kunnen we niet blijven baseren op een incompleet verhaal.”

Roxane van Iperen: ‘t Hooge Nest. Lebowski, 382 blz. € 21,99