Brieven

Vanuit de modder naar de Biënnale

Albanië in Venetië Op de Biënnale in Venetië hoort Pieter van Os de stemmen van de vader en dochter die hij in Albanië in een fabrieksruïne zag.

Boven een still uit de film van Driant Zeneli, onder laat Sulejmani cokes zien.
Boven een still uit de film van Driant Zeneli, onder laat Sulejmani cokes zien. Foto Rachel Corner

Het was een vervreemdende ervaring: van een enorme fabrieksruïne in het groezelige hart van Albanië naar de glitzy wereld van tienduizenden vierkante meters aan artistieke veelzijdigheid, bekeken door even pluriform publiek uit de hele wereld.

Toch had de ene plek me wel naar de andere geloodst. Het begon met een ontmoeting met een 21-jarige vrouw en haar vader. Op het terrein waar voor de val van het communisme een grote staalfabriek stond, zoeken de twee daar dagelijks naar achtergebleven metaal en, vooral, cokes in de grond, om per kilo te verkopen. Ze zijn straatarm en vuil van het graven. Hun achternaam is Sulejmani, Turks van oorsprong. Vader vertelt over discriminatie, maar ook over zijn vroegere werk baan die hij ooit had, als verpleger.

Ik was er met Rachel Corner, een Nederlandse fotografe die enkele jonge Albanese vrouwen volgt. Corner blijkt niet de eerste kunstenaar die vader en dochter spreken. Eerder zwierf de Albanees Driant Zeneli over het vervuilde terrein. Ze raakten aan de praat over Albanese science fiction, een boek uit 1983, waarvan Zeneli en vader Sulejmani allebei fan bleken te zijn. De kunstenaar maakte vervolgens een video op twee schermen, geïnspireerd door dat boek en de talloze fabrieksruïnes in Albanië. En hij vroeg vader en dochter teksten uit het boek in te spreken, als voice-over.

Die video, vertellen vader en dochter ons, is nu te zien in het Albanese paviljoen op de Biënnale. Zou het echt? Corner en ik kunnen het ons slecht voorstellen. Het lijkt ons onbereikbaar vanuit deze smerigheid.

Op naar Venetië dus. Het Albanese paviljoen blijkt te bestaan uit een donkere ruimte met twee beeldschermen. Zeneli’s video laat zien hoe vijf tieners een grote bal, ogenschijnlijk van aluminium, door een geërodeerd, kaal buitenaards ogend landschap duwen. De bal, die iets heeft van een satelliet, loopt vast in de modder. Titel van het werk: Maybe the Cosmos is Not so Extraordinary.

Het is niet moeilijk in het werk een metafoor van de Albanese geschiedenis te zien en een commentaar op de socialistisch-realistische kunst, de enige artistieke stijl die decennialang in Albanië was toegestaan en waar het belangrijkste kunstmuseum van het land nog altijd vol mee hangt. Gespierde mannen en vastberaden vrouwen op tractors, zwaaiend met drilboren, geweren, rode vlaggen, gebalde vuisten – ze kondigden een nieuwe tijd aan, een nieuwe wereld, het ware communisme, totale gelukzaligheid. In Zeneli’s modder zien we een aandenken aan dat toekomstgeloof vastlopen. Sisyfusarbeid. Niks geen nieuwe mens, niks niet het rijkste land van Europa – zoals Albanese onderwijzers hun kinderen decennialang leerden. Industrie? In de jaren tachtig deed niets het meer, het hele land was vastgelopen in de modder.

Kosmos? De kunstenaar zegt dat zijn werk „zich ophoudt tussen het menselijk tekort en de onmetelijkheid van de utopieën die we bedenken.”

Toch weet het kunstwerk bij mij niet een gevoel van deemoedige vergeefsheid te wekken. Omdat ik ze herken, de heldere stemmen van de Sulejmani’s. De bevestiging zie ik bij de ingang van het paviljoen. In een lange rij namen staan ook die van vader en dochter, de twee die in Albanië dagelijks in een vervuilde bodem speuren naar achtergebleven, brandbaar materiaal. Overduidelijk is dat niet ieder persoonlijk of maatschappelijk streven gedoemd is in de modder vast te lopen. En dit keer zijn gespierde arbeiders niet nodig om een kijker daarvan te doordringen. Twee verschoppelingen volstaan.