Foto Olivier Middendorp

‘Van een nieuw soort ui word ik erg blij’

Interview Simon Groot Als eerste Nederlander won Simon Groot (84) deze week de prestigieuze World Food Prize. Zijn bedrijf maakt groentezaden voor kleine boeren in Azië en Afrika. Nu ontdekken ook grote concurrenten deze markt. „Ze proberen onze mensen weg te kapen.”

Bijna was Simon Groot wijnboer geworden. „Zoals zoveel mensen met een paar centen. En ik hield wel van wijn.” Het familiebedrijf in groentezaden waar hij werkte, was net verkocht en Groot overwoog een nieuw carrièrepad. „Ik was 47, maar ik kon toch niet thuis gaan zitten? Financieel was het mogelijk, maar ik dacht: ik ga maar eens op avontuur.”

Zijn vrienden brachten hem echter van het wijnidee af. „Die zeiden: je weet niks van wijnbouw, je hebt verstand van zaad!” Daar zat wel wat in, vond Groot. Hij nam het advies ter harte en richtte East-West Seed International op, dat groentezaden ontwikkelt voor kleine boeren in Azië en Afrika.

Afgelopen maandag kreeg Groot (84) als eerste Nederlander de prestigieuze Amerikaanse World Food Prize. Mike Pompeo, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, mocht het bekendmaken. Volgens de jury heeft Groot de levens van twintig miljoen kleinere boeren „ingrijpend” verbeterd.

Bij hem thuis in Enkhuizen – de regio waar ongeveer alle Nederlandse groentezaadveredelaars vandaan komen – staan de bossen bloemen in emmers op de grond. Alle vazen zijn al in gebruik, zegt zijn vrouw Koen. Uit de hele wereld kreeg Groot felicitaties voor de onderscheiding, die door de Amerikanen graag ‘de Nobelprijs voor Voeding en Landbouw’ wordt genoemd. De prijs wordt in oktober uitgereikt.

Groot leunt achterover in een brede fauteuil. Kalmpjes ondergaat hij alle aandacht. Volgende week moet hij ook een eredoctoraat ophalen in de Filippijnen, vertelt hij. Met een knipoog: „Ook dat nog.”

Hij is East-West Seed in 1982 begonnen uit „beroepseer”, zegt Groot. „Ik kon het niet goed hebben dat ze in Azië ondermaats zaad hadden.” Boeren wonnen daar destijds zelf hun groentezaden, gewoon uit hun eigen oogst. „Dat was gratis, maar de opbrengst was laag, de houdbaarheid matig en er zaten ziektes in.” Met het geld dat Groot had overgehouden aan de verkoop van het familiebedrijf trok hij daarom naar Azië.

Groot was een pionier. Als zaadbedrijven al iets in Azië probeerden te verkopen, dan waren het westerse groenterassen. „Die zeiden: ‘Wij hebben hier tomaten in de kas, die moeten jullie ook maar gaan verbouwen.’ Nou, op Java deden die het alleen vanaf duizend meter hoogte. Nederlandse kastomaten kunnen niet tegen warme nachten.” In plaats daarvan richtte Groot zich op het veredelen van lokale gewassen. Bittere komkommer. Tropische pompoenen. Kouseband.

Dachten die boeren niet: daar komt weer zo’n man uit het Westen die het beter weet?

„Jawel. We hadden bijvoorbeeld sterk verbeterd hetepeperzaad in Thailand op de markt gebracht. Dat gaf meer dan twee keer zoveel vruchten per plant. Het was een hele toer om boeren te overtuigen een halve cent per zaadje te betalen.”

Hoe ging dat dan?

„We zetten overal demonstratieveldjes op, waar we bekendere boeren uitnodigden. ‘Kom kijken, dan krijg je een flesje cola en laten we onze nieuwe peper zien.’ Je moest het leuk maken. Die boeren zeiden eerst: de grond hier is beter dan bij mij, het zal bij mij wel niet lukken. Toen zijn we kleine goedkope zakjes zaad gaan verkopen, van één euro. Dan konden ze het makkelijk zelf uitproberen, naast hun eigen zaad. Met eigen ogen het verschil zien.”

Toen u begon, hielden de grotere bedrijven zich niet bezig met kleine boeren. Is dat veranderd?

„Ze beginnen nu een beetje achter ons aan te lopen, ze zien dat er een markt is ontstaan. Maar wij zijn niet bang voor de grote jongens. We hebben zó’n kennisvoorsprong, we zijn 25 jaar eerder begonnen. Ze proberen wel onze mensen weg te kapen. We proberen de loyaliteit heel sterk te bevorderen, maar er zijn altijd zwakkelingen die overstappen.”

In de zaadveredeling ontstaan door fusies enorme bedrijven, zoals Bayer en Syngenta. Hoe kijkt u daarnaar?

„Het grote kwaad is geschied door invoering van patenten op planten, vanaf de jaren tachtig. Dat heeft die grote bedrijven op gang geholpen, want toen ontstonden meer mogelijkheden om winst te maken. Die patenten zijn door de Amerikanen uitgevonden. De farmaciejongens zijn het vak binnengedrongen. Ze dachten: met medicijnen hebben we het aardig voor elkaar, nu de plantjes. Daardoor is de ruimte van de kweker om zelf te vernieuwen ernstig verminderd.”

Hebt u ook last gehad van die patentering?

„Patenten zijn voornamelijk toegekend bij genetisch gemodificeerde massagewassen: maïs, soja, katoen. De groenteteelt is kleinschalig, daar is de waarde van patentering niet zo groot.”

Lees ook dit artikel over hoe Europa omgaat met patenten: Nieuwe plantenrassen moeten óók groeien

De wereldbevolking groeit maar door, tegelijkertijd wordt de voedselproductie bedreigd door klimaatverandering. Heeft uw bedrijf daar antwoorden op?

„Zeker niet. Ja, we proberen hier en daar soorten te ontwikkelen die beter tegen droogte kunnen. Gewassen met sterke wortels. En we helpen boeren slimmere irrigatiesystemen bedenken. Maar dat de regenval verandert, daar kunnen we niets aan doen.”

Bent u daar bezorgd over?

„Op mijn leeftijd denk je: het zal allemaal wel. Dat moeten de nieuwe generatie zelf uitzoeken. Jullie zijn pienter genoeg.”

Simon Groot komt uit een geslacht van veredelaars. Zijn over-overgrootvader Nanne Groot begon rond 1800 met handel in zaden die hij zelf had opgekweekt. Dat was de aanzet tot Sluis & Groot, het familiebedrijf waar Simon in de jaren zestig zelf ook aan de slag ging. „Mijn vader zei: ik heb je nodig. Ik begon wat aarzelend, maar vond het al heel gauw leuk.”

In 1981 verkocht de familie Sluis & Groot aan een voorloper van Syngenta. Tegen Groots zin. „Maar ik was een van de jongeren. Ik had er niet zoveel invloed op.”

Hij vertrok. „Ik had geen zin om naar de pijpen van anderen te dansen. Ik was een zaadman. De mensen die binnenkwamen wisten niets van zaad.”

Inmiddels werkt Groot weer samen met familie: drie van zijn vier kinderen zitten bij East-West Seed. Aanvankelijk gingen ze heel andere dingen doen. Zijn dochter werkte in de kunsthandel, een zoon bij Rabobank, een ander is fotograaf, en weer een andere zoon was fiscalist bij adviesbureau EY. „Die zat op de Zuidas slimme dingen te bedenken voor de grote jongens. Trucjes om belasting te besparen, de staat te benadelen, de belangen van aandeelhouders te behartigen. Tot het hem ging tegenstaan.”

Deze zoon, Ard, is zijn vader vorig jaar opgevolgd als president-commissaris. „Hij zei op een gegeven moment: ik geloof dat jij beter werk doet dan ik. Daar was ik heel blij mee.”  De familie bezit 62 procent van de aandelen.

Krijgt u wel eens aanbiedingen om uw bedrijf te verkopen?

„Ja hoor. Private equity heeft gezien dat er geld mee te verdienen is als je het goed aanpakt. Ze willen ook meedoen. Maar ze kennen mijn standpunt: wij zijn niet primair een geldmachine. Zakendoen heeft een zware maatschappelijke functie. Dat vinden die overnamejongens een raar uitgangspunt. Er zitten best nette mensen tussen, maar in hun wereld draait alles om geld. Alsof dat de gewoonste manier van zakendoen is. Dat vind ik zo armoedig.”

Uw bedrijf keert wel dividend uit.

„Ja, een bescheiden dividendje.”

In 2017, het laatste jaar waar East-West Seed International cijfers over vrijgeeft, was dat ruim 10 procent van de winst van 14,4 miljoen dollar (12,8 miljoen euro). De omzet bedroeg 150 miljoen dollar.

„Met dividend zijn we pas na twintig jaar begonnen. Daarvoor ging alles terug in het bedrijf. Het heeft vijftien jaar geduurd voor er een beetje gang in kwam. Met pijn en moeite kon ik het financieel trekken, het was wel afzien af en toe.”

Wat vond uw vrouw ervan dat u desondanks zo graag deze nieuwe onderneming wilde opbouwen?

„Die hield de moed er wel in. Ik was 35 weken per jaar van huis, vijf keer zeven weken. Mijn kinderen zaten toen nog op school. Dat was een opoffering. Mijn vrouw was een geweldige steun in de rug.”

Hoe betrokken bent u nog bij het bedrijf?

„Ik denk er elke dag aan, ik ben ook nog steeds commissaris. Ik vind niets leuker om te horen dan als we weer een nieuw succesnummer hebben in een of ander land. Laatst nog een nieuw soort ui in West-Afrika. Daar word ik erg blij van. Ik kom ook nog vier keer per jaar in Azië. En dan ga ik niet voor het strand, hoor.”