Recensie

Recensie Boeken

Deze roman lijkt op de vissersversie van een Shakespeareaans koningsdrama

    • Ger Groot

Tomás González Twee wrokkige, jong volwassen zonen zinnen op wraak als hun vader overboord slaat. Het drietal vloekt dat het een aard heeft.

De korte roman Ontij van de Colombiaanse schrijver Tomás González (1950) is wel met Hemingway’s The Old Man and The Sea vergeleken. Vreemd is dat niet. Ook dit boek speelt zich af in de Caraïbische zee, een oude visser strijdt met zijn vangst en vooral met het woeste water. Maar daarmee houdt de gelijkenis wel op. Want de naamloze visser is bij González niet alleen. Hij vaart uit met zijn twee jong volwassen zoons, en niet de zee of Melville-achtige monstervissen zijn z’n voornaamste tegenstanders, maar zijn kinderen. Van begin af aan laat González de spanning tussen de drie mannen binnensluipen in de visserstocht, die een vol etmaal duurt en van uur tot uur beschreven wordt. De vader beschouwt zichzelf, in weerwil van zijn 71 jaar, nog altijd als de Man, zijn zoons als slapjanussen en windt daar geen doekjes om. Wrokkig fantaseren die over almaar drastischer wraak, die een kort ogenblik zijn beslag lijkt te krijgen wanneer de vader overboord slaat.

Het meest van alles lijkt Ontij op de vissersversie van een Shakespeareaans koningsdrama, waarin González de onderhuidse spanning subtiel opbouwt. De neergang van een vorst, die door zijn vrouw onomwonden ‘de Koning’ wordt genoemd, de wrok, het ‘ontij’ dat de wurggreep van het drama steeds verder opschroeft: op tweederde van het boek ben je niet meer verrast wanneer een van beide broers zich realiseert dat ‘de wereld zijn kompas kwijt is’ als een lichte variant op Shakespeares ‘The time is out of joint’ – ‘en moord een reële optie wordt’.

Met protagonisten die niet wérkelijk kwaad willen maar daartoe (bijna) worden gebracht door onverbiddelijke gebeurtenissen, menselijke ondeugden die daar de willige instrumenten van zijn, en zelfs een alles becommentariërend ‘koor’ van op het vasteland achtergebleven toeschouwers, komt Ontij dichter in de buurt van de klassieke tragedie dan ooit in een vissersboot voor mogelijk was gehouden.

Soms legt González het er iets te dik op, wanneer hij expliciet King Lear ter sprake brengt en een van de omstanders laat spreken over ‘de tragedies […] waarin alle personages van begin tot eind de adem van de dood in de nek voelen.’ Die neiging had hij in zijn twee eerder vertaalde romans, Eerst was er de zee en Duivelspaardjes, weten te onderdrukken, al sloeg daarin het tragisch noodlot niet minder hard toe. In Ontij maakt hij dat goed door het hele treurspel samen te ballen in één hermetisch relaas, op de paar vierkante meter van een vissersboot in het bestek van één etmaal.

Maar anders dan in de klassieke tragedie is van verheven taal geen sprake. De vader en zijn zoons vloeken, schelden en beledigen elkaar dat het een aard heeft – en vertaler Jos den Bekker heeft dat in volkomen overtuigend Nederlands weten om te zetten: ‘Een hoop geschreeuw en weinig wol met dat stuk vreten hier.’ Die prestatie (schelden en vloeken behoren tot de moeilijkste genres om te vertalen) gaat hand in hand met een al even kleurrijk idioom aan scheeps- en visserslatijn en rijkdom aan namen van zeewezens die je soms naar adem doet happen.

Tot een werkelijke catharsis komt het niet. Aan het eind van het boek zijn de protagonisten niet wijzer geworden. De vernederde vader heeft zijn soevereine minachting jegens zijn zoons weer teruggekregen. De wrok heeft niet geleid tot een koningsmoord – en misschien is dat wel het treurigste van alles.