Valerie Bennett

Historicus David Wootton: ‘Ook ik ben een ongelukkige liberaal’

David Wootton | Historicus Volgens de Britse historicus David Wootton heeft de Verlichting vrijheid en gelijkheid gebracht, maar ook een onbeperkt streven naar macht en winst.

Hij is anders, zegt hij, dan de meeste historici. „Ik zoek onderwerpen die voor ons relevant zijn. Veel collega’s willen laten zien hoe ver het verleden van ons afstaat. Dat laat ik ook zien, maar ik zou me niet met geschiedenis bezighouden, wanneer ik er niet van overtuigd was dat die iets over ons heden te zeggen heeft.”

David Wootton (1954) praat bedachtzaam, meer zoekend dan stellig. Ik zoek hem op in Londen vanwege zijn laatste boek, Power, Pleasure and Profit, waarin hij nieuw licht werpt op het ontstaan van het Verlichtingsdenken. Ook nu weer imponeert hij door een verbluffende beheersing van zijn materiaal; hij ontleedt geschriften van filosofen als Machiavelli, Hobbes en Locke, maar ook van obscure pamflettisten. Het levert een uitdagende geschiedenis op van het ontstaan van de moderniteit.

De Britse historicus schrikt er niet voor terug de lijn door te trekken naar ons gepolariseerde heden: veel van waar wij tegenwoordig mee worstelen, stelt hij, gaat terug op het mensbeeld waar de Verlichting ons mee heeft geïmpregneerd.

„Er zijn critici die vinden dat de Verlichting ons louter goeds heeft gebracht, anderen zien het juist als een puur negatieve kracht. Ik denk dat het Verlichtingsdenken ons wel degelijk vooruit heeft geholpen, maar ons tegenwoordig dwarszit op manieren die ons een gevoel van onbehagen bezorgen. Ik zie het als een ouder-kind relatie, soms gelukkig, soms uitermate moeizaam.”

Volgens de Amerikaan Steven Pinker, in zijn boek ‘Verlichting nu’, gaat het dankzij de Verlichting alleen maar beter met de wereld.

„Pinker heeft gewoon gelijk wanneer hij op onmiskenbare vooruitgang wijst. We leven langer, onze levensomstandigheden zijn sterk verbeterd. Kijk naar foto’s van Engeland in de jaren zeventig, daar zie je een heel ander soort armoede dan waar we ons tegenwoordig druk over maken. En het is ook waar dat die vooruitgang te danken is aan iets dat zich eind zeventiende, begin achttiende eeuw heeft voltrokken. Al zou ik dat eerder de wetenschappelijke revolutie noemen dan de Verlichting. Maar zeker is dat er in die periode een reusachtige omwenteling plaatsvond, waardoor we de natuur steeds meer naar onze hand konden zetten en welvaart konden scheppen. Waar Pinker en zijn adepten hopeloos naïef over zijn, is de menselijke natuur. Die naïviteit is symptomatisch voor het Verlichtingsdenken zelf. Mensen kunnen een heel welvarend leven leiden en tegelijk ontzettend ontevreden zijn. Je kunt je leven op allerlei manieren frustrerend en verstikkend vinden. Dat maakt een man als Pinker ook stekeblind voor de oorzaken van het huidige maatschappelijke onbehagen. Volgens mij komt dat doordat hij, zoals tot op zekere hoogte wij allemaal, gevangen zitten in de gedachtentrant van de Verlichting, dat groeiende welvaart ons ook gelukkiger maakt.”

U beschrijft hoe filosofen vier eeuwen terug het gemeenschappelijke idee van het goede leven loslieten. Een individu maakt zelf uit wat hem gelukkig maakt. Maar die nieuwe vrijheid gaat gepaard met de notie van de mens die wordt gestuurd door eigenbelang.

„Rond 1600 had je twee opvattingen over wat het goede leven was. Er was de christelijke traditie van vroomheid, die om deemoed, goedertierenheid en zelfverloochening vroeg, anders ging je niet naar de Hemel. En er was de traditie, naar Aristoteles, die vond dat deugd gelijk stond aan zelfbeheersing. De bescheiden mens vindt het geluk.

„Maar dat idee van zelfbeperking maakt gaandeweg plaats voor een idee van een menselijk streven zonder einde. Dat begint in de politiek, met Machiavelli. Hij zegt dat je nooit genoeg macht kunt hebben. Zolang je niet iedereen in je macht hebt, kun je je nooit veilig voelen. De filosoof Hobbes ziet dat als de motor van de menselijke psyche. De mens jaagt in zijn ogen onophoudelijk macht, rijkdom en genot na.

„Denkers na hem, zoals John Locke, zetten daar stevige kanttekeningen bij, maar ze verwerpen dat mensbeeld niet, en werken het uit in theorieën over moraal, politiek en economie. En zo wordt het mensbeeld van Hobbes algemeen. Het Verlichtingsdenken gaat ervan uit dat mensen van nature egocentrisch zijn, omdat ze naar genot en zelfvoldoening streven. Daaruit volgt dat mensen alleen in staat zouden zijn om goed te doen voor anderen, wanneer ze daar zelf ook baat bij hebben. Al is het maar dat ze zichzelf geweldig goed kunnen vinden.”

Veel collega’s willen laten zien hoe ver het verleden van ons afstaat

Sommige denkers die u noemt beseften heel goed dat het neurotisch najagen van genot zelden of nooit gelukkig maakt, maar zagen het als iets waar de maatschappij als geheel baat bij had.

„Men besefte dat het behoorlijk irrationeel was om te denken dat het najagen van genot blijvende voldoening oplevert, het is het ene genot na het andere, en meestal is het net buiten je bereik. Maar iemand als Adam Smith dacht werkelijk dat God de mens en de maatschappij zo geschapen had dat we zonder dat we het zelf door hebben, goed zijn voor anderen. Wanneer we winst en genot najagen, worden we wellicht zelf niet gelukkig, maar dragen we wel bij aan een welvarende maatschappij.”

Een gevolg van dat „verlichte” mensbeeld, stelt u, is dat de mens een soort optelsom wordt.

„Als je de mens ziet als een wezen dat zuiver individualistisch op zijn eigen voldoening uit is, dan is de verleiding groot om hem in zuiver materialistische termen te beschrijven, hem iedere spiritualiteit en geestelijk leven te ontzeggen, hem als een soort machine te zien. Locke stelt dat er geen enkel bewijs is voor een immateriële, geestelijke dimensie. Het is wat ik het Verlichtingsparadigma noem: dat we egoïstisch zijn, enkel genot najagen, en individualistisch zijn. Daaruit ontstaat een ethiek die ervan uitgaat dat we altijd ons eigen belang nastreven, een economie die ervan uitgaat dat wanneer we dat doen, we bijdragen aan een algemeen welzijn, en ten slotte een politiek die ervan uitgaat dat wanneer je die belangen van mensen weet te organiseren, je hen in de richting van dat algemeen welzijn kunt sturen. Uiteindelijk beweegt de Verlichting zich dan naar het utilitarisme, een zuiver nuttigheidsdenken. Tegelijkertijd is dat prachtig, want hierdoor kun je ook zeggen dat alle mensen gelijk zijn, dat de slavernij dus onmenselijk is en dat mannen en vrouwen gelijkwaardig zijn. En dat er ruimte moet zijn voor verschillende meningen. Dat kun je alleen maar toejuichen. Toch?”

Dus voor u is de Verlichting die mensen gelijke rechten geeft, dezelfde Verlichting die mensen gedeelde waarden ontneemt.

„Omdat er geen moraal aan ten grondslag ligt, maar eerder een psychologische vaststelling dat we allemaal zo’n beetje hetzelfde in elkaar steken. Daaraan worden denkbeelden ontleend over hoe je de samenleving moet organiseren. Uiteindelijk leidt dat tot het verdedigen van een commerciële consumptiemaatschappij.”

Veel van de huidige onvrede draait om het gemis aan gedeelde waarden. De een betreurt het gebrek aan samenhang, de ander gebrek aan solidariteit.

„Neem Brexit. Hoe vaak ik niet heb gehoord dat de mensen die voor uittreding uit de Europese Unie stemden, niet wisten dat ze slechter af zouden zijn. Maar dat kregen ze vóór het referendum zo’n beetje iedere dag te horen van degenen die wilden blijven. Het ging hen kennelijk om iets anders dan financiële zekerheid. Om een idee van gemeenschap, van identiteit, waarvoor volgens hen geen ruimte is binnen Europa. Dat wil er bij veel van hun tegenstanders nog steeds niet in.”

Als gevolg van dat verlichte mensbeeld, jaagt onze samenleving overal efficiency en winstmaximalisatie na.

„Ik heb een tijdje in het bestuur van mijn universiteit gezeten. Vijfentwintig jaar geleden hadden we een decaan die voorliep in de beweging die universiteiten als een bedrijf wilde besturen. Dus werd faculteiten het gebruik van lokalen in rekening gebracht. Je moest aantonen dat je die lokalen gebruikte om inkomsten te genereren, en wanneer je een keer verstek liet gaan, werd dat als kapitaalvernietiging beschouwd. Alles werd terugbracht tot een kosten-batenanalyse. Mooi om verspilling tegen te gaan, maar het maakte een einde aan het idee dat je sommige dingen gewoon deed omdat je ze de moeite waard vond.”

Ik vermoed dat menselijke relaties belangrijker voor ons zullen worden

Zijn we de taal om die intrinsieke waarden te verdedigen verleerd?

„Een paar jaar geleden ontdekte een supermarktketen dat klanten het plezierig vonden wanneer het personeel achter de kassa een praatje met hen maakte. Daarvoor was het hun uit naam van de efficiency juist ten strengste afgeraden klanten aan te spreken. Nu werden ze er min of meer toe verplicht. Zoiets gebeurt dus zuiver uit berekening. Wat de publieke zaak betreft, zijn we die taal inderdaad kwijtgeraakt. Je vindt hem elders nog wel, als het gaat over mindfulness en meditatie, maar dat zijn individuele aangelegenheden, of voor kleine enclaves in ons bestaan, zoals wanneer we over familie spreken. Maar op de universiteit moet ik echt niet aankomen met een pleidooi voor zuiver intellectuele bevrediging.”

Er heerst al lang onvrede over deze manier van denken. Waarom verandert er zo weinig?

„We hebben een wereld geschapen waarvan we heel goed begrijpen wat er mis mee is. Maar we weten veel minder goed wat we eraan kunnen doen. Ook ik heb geen antwoorden, ik probeer te laten zien hoe we hierin terecht zijn gekomen, hoe de Verlichting ons zowel vrijheid en gelijkheid heeft gegeven, als ons heeft opgesloten in een wereld waarin alles om het najagen van macht en winst gaat.

„Maar wellicht is het niet eens nodig om antwoorden te formuleren. De geschiedenis dwingt ons om onze preoccupaties voortdurend aan te passen. Neem kunstmatige intelligentie, of energietransitie. Ik vermoed dat we aan het einde van dit soort Verlichtingsdenken zijn gekomen. Binnen twintig, dertig jaar zullen de economische, sociale en technologische omstandigheden om een heel andere morele, en politieke manier van denken vragen. Vergeet niet dat het oude mensbeeld vooral op schaarste was gebaseerd. Het was ontzettend moeilijk om te krijgen wat je wilde hebben; je moest er keihard voor werken, jezelf er van alles voor ontzeggen, lang afzien. Die wereld is aan het verdwijnen. Zoveel is gemakkelijk te verkrijgen, zoals informatie, en wordt ook steeds goedkoper. Wanneer het idee van schaarste minder dominant is, veranderen ook onze prioriteiten. Het kan alle kanten op gaan, maar ik vermoed dat menselijke relaties belangrijker voor ons zullen worden.”

Maar op dit moment is er een felle reactie tegen het liberalisme.

„Tot je denkt aan wat de alternatieven zijn. Ik beschouw mezelf als liberaal, simpelweg omdat ik op dit moment geen levensvatbaar alternatief zie. Maar ook ik ben een ongelukkige liberaal. We hebben ons gevoel van betekenis en waarden verloren, we hebben in de maatschappij onze relaties tot een reeks berekeningen teruggebracht. Wanneer je een universiteit gaat runnen alsof het een bedrijf is, heeft dat ook invloed op hoe de mensen die er werken met elkaar omgaan. Alles wordt instrumenteel gemaakt.”

Wat stelt u tegenover het Verlichtingsoptimisme van mensen als Steven Pinker?

„We moeten beseffen dat we geen rationeel calculerende wezens zijn. Mensen zijn doorgaans verknocht aan hun vertrouwde ervaringen en gewoonten, ze zijn vaak ten diepste conservatief, willen weten waar ze aan toe zijn, gedragen zich vaak tribaal, zijn van nature wantrouwend tegenover buitenstaanders. Dat zijn fundamentele aspecten van de menselijke natuur, die kan je niet zomaar negeren. Je kunt ze wel ombuigen, door bijvoorbeeld het idee van wie buitenstaander is te veranderen, zodat het wantrouwen afneemt. Maar omdat het liberalisme zich is gaan gedragen alsof je dit soort eigenschappen rustig kunt elimineren of negeren, hebben de hedendaagse vijanden van de Verlichting zuurstof gekregen. Die reactie is echt gevaarlijk. Maar als je niet wil beseffen dat mensen zich geborgen willen voelen, een gevoel van continuïteit nodig hebben en zich instinctief verzetten tegen al te snelle veranderingen, moet je niet raar opkijken als je fascistoïde reacties oproept.”