Opinie

    • Frits Abrahams

Joods verzet was er wel

Frits Abrahams

Misschien heeft een of andere prominent van Forum voor Democratie alweer een nieuwe verbale stommiteit begaan, voor deze column wil ik het nog even houden bij de uitglijder van Toine Beukering, kandidaat-voorzitter van de Eerste Kamer.

Hij zei in De Telegraaf: „Dat de Joden – zo’n dapper strijdbaar volk – als makke lammetjes gewoon door de gaskamers werden gejaagd. Dat heeft me altijd gefascineerd.”

In de daarop ontstane commotie schoten Beukerings partijbazen Baudet en Cliteur toe om hem te verdedigen met het argument dat Hannah Arendt hetzelfde heeft beweerd. „Maar wat Beukering verwoordt, is een onderwerp dat al sinds 1963, Hannah Arendt’s Eichmann in Jeruzalem, een terugkerend punt in de discussie is geweest. (…) De vraag is: hoe heeft dit kunnen gebeuren?”

Klopt dit? Jazeker. De datum zou ik zelfs willen vervroegen. Al in Arendts essay ‘De Jodenstaat vijftig jaar later’ uit mei 1946 kom ik deze bewering tegen: „Nog een andere ervaring – ook van groot belang voor de toekomst van de joodse politiek – werd opgedaan toen men zich realiseerde, niet dat zes miljoen joden waren vermoord, maar dat ze hulpeloos, als vee, hun dood tegemoet waren gedreven.”

„Hulpeloos als vee” – daar zijn de makke lammetjes van Beukering. Of hijzelf die vondst bij Arendt heeft gedaan, betwijfel ik, want hij noemde haar niet in dat interview. Maar er zijn voldoende filosofisch geschoolde krachten bij FVD die hem op de gedachte hebben kunnen brengen.

Toch is het nogal gemakkelijk van Baudet en Cliteur om zich achter de rug van Arendt te verbergen nu hun senator losse flodders afschiet. Arendt is een gerespecteerd filosofe, maar dat is nog geen reden om al haar opvattingen 45 jaar na haar dood kritiekloos te recyclen. In die jaren is er heel wat historisch onderzoek geweest dat sommige van die opvattingen feitelijk weerlegt.

Zo is haar hele theorie over Adolf Eichmann als de belichaming van ‘de banaliteit van het kwaad’ op losse schroeven komen te staan – en ook de identieke benadering van Harry Mulisch in De zaak 40/61. Arendt zag Eichmann als een gewoon mens, die louter bevelen opvolgde – niet uit overtuiging, maar uit een onvermogen tot reflectie en empathie. De biografen van Eichmann hebben hem later ontmaskerd als een fanatieke, overtuigde nazi die zijn rechters in Israël tevergeefs met allerlei leugens probeerde te misleiden; kennelijk maakte hij op hen minder indruk dan op Arendt en Mulisch.

Arendt vond dat Joden in de diaspora politiek een te passieve rol speelden. Dat is voer voor twistende historici, maar voor het concrete verzet van Joden in de Tweede Wereldoorlog zijn inmiddels genoeg bewijzen voorhanden. Google maar eens ‘Joods verzet tegen de nazi’s’. Presser heeft er trouwens al in 1965 in zijn Ondergang op gewezen. Waarom Presser niet geloofd en Arendt wel?

Duikt er misschien een antisemitisch duiveltje achter dat ongeloof op? Of zullen we het maar houden op een ongelukkige uiting van een nog steeds werkzaam collectief schuldbesef? „Toen de deportaties begonnen werden er wel krokodillentranen geweend”, vertelde Hanny Michaelis in haar boek Verst verleden, „maar op een kleine minderheid na probeerde niemand er iets tegen te ondernemen.” Misschien moeten ze het daar bij FVD nog eens over hebben.