Het Nederlands pensioensysteem is uniek. Hoe regelen andere landen dat?

Oudedagsvoorziening Na jaren overleg ligt in Nederland een nieuw pensioenakkoord voor. Alle debat erover doet bijna vergeten dat het stelsel voor een van ’s werelds beste doorgaat. Hoe gaan andere landen om met bijvoorbeeld krappe pensioenkassen en vergrijzing? Zes voorbeelden.

Illustratie Pepijn Barnard

Gepensioneerden krijgen al jaren geen inflatiecorrectie, zonder pensioenakkoord dreigt 60 procent van de pensioenfondsen te moeten korten en politiek, werkgevers en vakbonden deden er liefst negen jaar over om nieuwe afspraken te maken over de pensioenen.

Deze zaterdag wordt bekend of de achterban van de vakbonden FNV en CNV kan instemmen met het pensioenakkoord. Het oordeel van de derde vakbond, VCP, volgt op dinsdag.

Wie de discussies volgt, zou bijna vergeten dat het Nederlandse pensioenstelsel al jarenlang geldt als een van de beste ter wereld, met dat van Denemarken. Dat maakt de problemen niet minder groot. Wellicht zegt het meer over de pensioenstelsels in de rest van de wereld, waar vaak het omslagstelsel wordt gebruikt: de huidige werkenden betalen premie voor de huidige gepensioneerden.

Toch is het Nederlandse systeem uniek. Vanuit het buitenland wordt vooral met interesse gekeken naar de combinatie van de AOW-uitkering en het aanvullende pensioen.

De AOW, het ‘basispensioen’, wordt door de overheid betaald uit premies die ze op dat moment heft bij werknemers en werkgevers. Het aanvullende pensioen hebben de gepensioneerden zelf bij elkaar gespaard tijdens hun werkende leven. Dat doen veruit de meeste werknemers automatisch via het pensioenfonds dat verbonden is aan hun sector of bedrijf. Het geld wordt belegd in onder meer obligaties, vastgoed en aandelen.

Beide systemen hebben hun eigen kracht en zwakte. De AOW is gevoelig voor vergrijzing (meer uitkeringen tegenover minder premiebetalers), het aanvullende pensioen moet het vooral hebben van hoge rentestanden en rendementen op de beurs. Vooral de rente is de laatste jaren laag, en blijft dalen. Daarom is nu afgesproken dat Nederlandse pensioenfondsen niet langer grote geldreserves hoeven aanhouden. Beleggingswinsten mogen ze direct uitdelen, na verliezen moet dan wel sneller gekort worden. Zo hopen politici en sociale partners pensioenverhogingen dichterbij te brengen – als de vakbonden er althans mee instemmen.

  1. DUITSLAND

    Het Duitse pensioenstelsel kampt met een aantal problemen tegelijk. Het land vergrijst snel: tot 2028 verwacht men dat het aantal gepensioneerden met 15 procent toeneemt. Terwijl het aantal werkenden dat voor de pensioenen van die gepensioneerden moet betalen (Duitsland kent een omslagstelsel), in dezelfde periode met 7 procent daalt.

    Daar komt bij dat Duitsland geen met de AOW vergelijkbare oudedagsvoorziening heeft, waar iedere oudere aanspraak op kan maken, ongeacht of hij of zij in het verleden gewerkt en premie betaald heeft.

    Bovendien hebben veel gepensioneerden in Duitsland een zeer beperkt pensioen. Vrouwen bijvoorbeeld die in de jaren dat hun kinderen klein waren geen betaalde baan hadden. Of mensen die tijdelijk werkloos zijn geweest, of pas in de tweede helft van hun leven in Duitsland zijn komen wonen en werken en dus ook premie betalen.

    Dat leidt tot angst voor een arme oude dag, met een pensioenuitkering die niet of nauwelijks boven de bijstand uitkomt. Mensen die jarenlang premies hebben betaald, stellen bitter vast dat ze na een lang werkzaam leven als gepensioneerde niet beter, en soms zelfs slechter af zijn dan mensen die helemaal niets aan de pensioenpot hebben bijgedragen.

    In hun huidige regeerakkoord hebben CDU, CSU en SPD afgesproken om voor mensen die ten minste 35 jaar gewerkt hebben een basispensioen in te stellen dat minimaal 10 procent boven het bijstandsniveau ligt.

    De SPD wil verder gaan, en een zogenoemd ‘respect-pensioen’ invoeren, met een toeslag voor mensen die 35 jaar gewerkt en premie betaald hebben, en die toch maar een gering pensioen krijgen. Voor het ontvangen van het respect-pensioen zou niemand hoeven te bewijzen dat hij of zij ook werkelijk behoeftig is.

    Critici, deels afkomstig uit CDU en CSU, werpen tegen dat de belastingbetaler dan moet opdraaien voor extra pensioengeld voor sommige welgestelde burgers. Zoals de inmiddels spreekwoordelijke ‘vrouw van de tandarts’, die zelf nooit veel heeft verdiend en dus een klein pensioentje krijgt, maar met haar man wel op grote voet leeft. Ook de financiering van de maatregel, die uit de algemene middelen moet komen, stuit bij de christen-democraten op kritiek.

  2. CANADA

    Canadezen maken zich zorgen over de vraag of pensioenen nog wel beschikbaar zijn tegen de tijd dat ze ophouden met werken. Die zorgen zijn ongegrond: dankzij hervormingen in de jaren 90 en beleggingssucces staat het Canada Pension Plan (CPP), een algemeen pensioenfonds, er goed voor.

    Sinds de vorming van het CPP in 1965 hanteert het een omslagstelsel. Om een dreigende pensioencrisis af te wenden, zijn premies sinds het begin van deze eeuw geleidelijk verhoogd van 3,6 tot 9,9 procent. Daarnaast is de Canada Pension Plan Investment Board gevormd om de gelden te beleggen. Per 31 maart beschikte het over een buffer van 392 miljard Canadese dollar (260 miljard euro), genoeg om de pensioenregeling op de huidige basis in stand te houden tot zeker 2090. Het CPP is in omvang het negende pensioenfonds ter wereld.

    Daarmee staat Canada in contrast met buurland de Verenigde Staten, waar pensioenverzorger Social Security naar verwachting over een dikke tien jaar te krap bij kas komt te zitten om volledig te kunnen blijven uitbetalen. Armoede onder ouderen komt in Canada aanmerkelijk minder voor dan in de VS.

    Dat betekent niet dat alle Canadezen op rozen zitten. De uitkering hangt af van hoe lang iemand heeft gewerkt en hoeveel hij of zij in die jaren heeft bijgedragen. Uitkeringen zijn bescheiden en zijn bedoeld als basisvoorziening, om ongeveer een kwart van het inkomen te vervangen. Betaling kan ingaan vanaf het 65ste levensjaar, of vanaf het 60ste, maar dan is het lager.

    Naast het CPP hebben Canadezen recht op Old Age Security (OAS). Dat wordt betaald van belastingopbrengsten en is niet afhankelijk van bijdragen. Een derde pijler bestaat uit pensioenregelingen via werkgevers. En om Canadezen aan te sporen naast de basisvoorzieningen zelf geld opzij te zetten voor hun oude dag, wordt sinds de jaren 90 sparen via fiscaal aantrekkelijke geregistreerde pensioenrekeningen aangemoedigd.

    In het kader van CPP-hervormingen onder de huidige regering-Trudeau wordt nu een component toegevoegd met een kapitaaldekkingsstelsel. Zo kan het basisinkomen van ouderen via het CPP stijgen van een kwart tot een derde van hun gemiddelde inkomen tijdens het werkende leven. Plannen om de pensioengerechtigde leeftijd van 65 naar 67 jaar te verhogen, zijn teruggedraaid.

  3. FRANKRIJK

    De wettelijke minimumpensioenleeftijd in Frankrijk blijft onveranderd op 62 jaar. Dat was nu eenmaal een verkiezingsbelofte van Emmanuel Macron. Maar de Fransen moeten wel langer gaan werken, zei premier Édouard Philippe woensdag in zijn jaarlijkse algemene politieke voordracht in de Assemblée Nationale. Er komt een „evenwichtsleeftijd” van – waarschijnlijk – 64 jaar waarop mensen aanspraak kunnen maken op het gunstigste pensioen. Wie eerder wil stoppen, krijgt minder. Gemiddeld werken Fransen nu overigens al tot hun 63ste door.

    Pensioenhervorming is al jaren een heikel thema, en Franse vakbonden gaan er graag de straat voor op. Maar nog voor de zomervakantie moet de door Macron aangestelde ‘hoge commissaris voor de pensioenen’, de alom gewaardeerde oud-minister Jean-Paul Delevoye, na vele maanden consultaties de hervormingsvoorstellen presenteren.

    De grote lijnen zijn bekend. Het huidige omslagstelsel met door de staat georganiseerde solidariteit tussen werkenden en gepensioneerden blijft bestaan. Maar het systeem wordt wel „universeel”: iedere euro die je bijdraagt, moet via een puntensysteem aan iedereen dezelfde rechten geven. Nu nog kent Frankrijk 42 verschillende regimes. Dat is „niet eenvoudig en niet eerlijk”, zei Philippe. Vooral het verschil tussen ambtenaren en mensen in de particuliere sector is groot. Zo ligt de gemiddelde pensioenleeftijd bij staatsspoorbedrijf SNCF op 54 jaar voor rijdend personeel en op 58 jaar voor zittende medewerkers.

    Het idee achter de hervorming is dat mensen makkelijker van baan kunnen wisselen, zonder daarvoor op hun oude dag te worden gestraft. Maar ze moet er ook voor zorgen dat de pensioenen betaalbaar blijven. Frankrijk heeft vergeleken met andere EU-landen een zeer gunstig geboortecijfer, dat bijna gelijk is aan de vervangingsratio – de bevolking blijft toenemen. Maar de tekorten op de pensioenbalans lopen de komende jaren door vergrijzing wel op. In 2022 staat de nationale pensioenkas 10 miljard in het rood, schreef de Conseil d’Orientation des Retraites deze week. Bij een optimistische inkomensgroei van 1,8 procent verwacht deze regeringsdenktank zonder gewijzigd beleid een financieel evenwicht in 2042. De hervorming moet in 2025 ingaan.

  4. BRAZILIË

    Het Braziliaanse pensioensysteem behoort tot de meest luxe maar ook kostbaarste ter wereld. In dit Latijns-Amerikaanse land met 209 miljoen inwoners kunnen ambtenaren al met pensioen nadat ze 25 jaar gewerkt hebben. Ze ontvangen dan 100 procent van hun laatste salaris. In de praktijk betekent dit dat veel Brazilianen ruim voor hun vijftigste stoppen met werken, omdat ze tussen hun 16de en 20ste zijn begonnen met werken. In de private sector zijn de pensioenen iets minder riant. Je moet minstens 30 tot 35 jaar gewerkt hebben en ook wordt niet de volle 100 procent uitbetaald, maar een deel van je laatste salaris. Veel Brazilianen nemen er na hun pensionering een baantje bij. Ze zijn immers relatief jong, en ontvangen dan een dubbel inkomen.

    Dit kostbare systeem kost de Braziliaanse overheid bakken met geld: vorig jaar ging meer dan 40 procent van het budget van de federale regering op aan pensioenen. Verschillende regeringen hebben geprobeerd dit te veranderen, maar dat lukte niet. Het is immers geen ingreep waar je je als overheid populair mee maakt.

    Nu ligt de pensioenhervorming op het bordje van president Jair Bolsonaro, de ultrarechtse leider die sinds januari aan de macht is in Brazilië. Zijn regering heeft een voorstel gedaan waarmee de komende tien jaar meer dan 220 miljard euro bespaard kan worden: verhoging van de minimumpensioenleeftijd en aanpassing van de uitkering. Braziliaanse mannen zouden dan met 65 jaar met pensioen gaan, vrouwen rond hun 62ste.

    Over de pensioenhervorming moet de komende tijd gestemd worden in het Braziliaanse congres. Bolsonaro’s partij PSL heeft maar 54 (van de 513) zetels in het Huis van Afgevaardigden en slechts 4 (van de 81) zetels in de senaat. Om de pensioenwijziging erdoor te krijgen, heeft de regering-Bolsonaro 308 stemmen nodig in het Huis en 49 in de senaat. Grote vraag is of Bolsonaro genoeg steun krijgt voor zijn plan.

    Volgens Paulo Guedes, minister van Economische Zaken en een van de architecten van het plan, is aanpassing van het stelsel zeer urgent: „Als we ons pensioensysteem niet veranderen, gaat ons land uiteindelijk failliet. Nu is het moment.”’

  5. JAPAN

    Het Japanse pensioenstelsel lijkt in veel opzichten op dat van Nederland: er is een oudedagsvoorziening voor iedereen, en werknemers betalen premies voor een aanvullend pensioen. Maar net als de Nederlandse regering heeft de Japanse te maken met demografische veranderingen. En in Japan lijken die nog heftiger: zo is de vergrijzing er aanzienlijk zichtbaarder dan in veel andere landen. Ruim 28 procent van de bevolking is 65 jaar of ouder. Daar komt bij dat het geboortecijfer van 1,4 relatief laag is.

    Verontrustende cijfers, stellen analisten, aangezien een slinkende beroepsbevolking geacht wordt de oude dag te betalen van een groeiende groep ouderen. Komt bij dat hun levensverwachting ook nog eens de hoogste is van alle rijke landen die de OESO verenigt. Mannen worden in Japan gemiddeld 81 jaar oud, vrouwen gemiddeld 87. Een Japanner vangt vijf jaar langer pensioen dan het OESO-gemiddelde.

    Nu nog moeten Japanners op hun zestigste verplicht met pensioen, of ze dat willen of niet. De leeftijd waarop ze hun AOW krijgen is 63. Veel van hen gaan daarom na dit gedwongen pensioen als zelfstandige voor hetzelfde bedrijf aan de slag. Dat heeft te maken met het op senioriteit gebaseerde salarisopbouw. Ze kunnen wel terugkeren, maar dan voor een lager salaris en als zelfstandige. Anderen werken als taxichauffeur of verkeersregelaar om dat gat van drie jaar te vullen.

    Vroeg met pensioen, voor Nederlandse begrippen, en lang leven: dat verklaart waarom Japanse pensioenfondsen in het verleden al in problemen kwamen en geld tekortkwamen om volledig aan hun verplichtingen te kunnen voldoen. Analisten vrezen dat dit alleen maar vaker zal gebeuren en voorspellen een implosie van het Japanse pensioenstelsel.

    Het is nu de bedoeling dat de AOW-leeftijd in Japan in 2025 wordt verhoogd naar 65 jaar om ten minste een deel van het probleem te ondervangen. Premier Shinzo Abe heeft echter al meermalen gezegd dat een AOW-leeftijd van 70 jaar wenselijker is.

    Begin dit jaar moedigde een overheidsrapport Japanners – die toch al bekendstaan als spaarders – aan toch vooral geld opzij te leggen voor hun oude dag. Want, zo stond er, het is nog maar de vraag of pensioenfondsen straks aan hun verplichtingen kunnen voldoen.

  6. ZWEDEN

    Waar de Nederlandse belastingdienst de blauwe envelop gebruikt, kennen de Zweden hun eigen oranje envelop. Elk jaar in november lezen ze zo hoe het ervoor staat met hun pensioenopbouw.

    Veel meer dan Nederlanders hebben Zweden de vrijheid om te bepalen wanneer ze van hun pensioen gaan genieten. Nu nog maken ze vanaf hun 61ste aanspraak op een maandelijkse uitkering. Wie echter langer doorwerkt, bouwt meer pensioenrechten op. Zweden hebben zelfs het wettelijke recht tot hun 67ste te blijven werken. Tussenvormen zijn er ook, waarbij iemands maandinkomen zowel uit pensioen als salaris bestaat.

    Ook in Zweden neemt de levensverwachting toe. Na fikse discussies over verhoging van de pensioenleeftijd hebben de sociale partners eind 2017 ingestemd met een geleidelijke verhoging naar 64 jaar in 2026. Wie dan met pensioen gaat, krijgt een bedrag dat bestaat uit diverse componenten. De belangrijkste is het door de staat uitgekeerde Allmän pension, vergelijkbaar met de AOW in Nederland. Jaarlijks dragen Zweden 18,5 procent van hun inkomen af – tot een maximum – aan pensioenpremies. Daarmee financieren ze de huidige pensioenuitkeringen. Elk jaar dat een Zweed zo bijdraagt aan de zorgstaat, bouwt hij pensioenrechten op.

    Van die 18,5 procent is 2,5 procentpunt gereserveerd voor het zogeheten premiepensioen. De overheid heeft honderden fondsen geselecteerd waaruit de Zweed er maximaal vijf mag kiezen om die premie in te beleggen. Afhankelijk van mix en rendement verschilt de uitkering dus per persoon.

    Om ook volgende generaties een pensioen te garanderen, heeft de Zweedse overheid een balanssysteem. Blijkt de staat in een jaar meer pensioengeld te moeten uitkeren dan er binnenkomt, dan vindt correctie plaats. Het pensioenbedrag wordt lager, waardoor inkomsten en uitgaven weer in balans zijn.

    Dan is er nog het Tjänstepension, vergelijkbaar met de uitkering van Nederlandse pensioenfondsen. Dit aanvullend pensioen beslaat zo’n 25 tot 30 procent van het totale pensioen. Dit aanvullend pensioen is deels gebaseerd op het laatstverdiende loon. De premie ervoor betaalt de werkgever; de werknemer krijgt een deel rechtstreeks uitgekeerd, de rest wordt belegd.