Opinie

Gum de democratie niet uit, koester de controversiële spotprent

Cartoonrel Een krant die het serieus tot zijn taak rekent om de democratie te beschermen, koestert de controversiële spotprent, schrijft

Tjeerd Royaards

Het was geen geslaagde cartoon, laat dat duidelijk zijn. De gewraakte tekening in The New York Times van president Trump die blind achter de Israëlische premier Netanyahu, afgebeeld als een blindegeleidehond, aanloopt, zorgde voor de nodige ophef omdat die ‘antisemitisch’ zou zijn. Waarom moest Trump een keppeltje op? Omdat hij wel eens dweept met het feit dat hij een Joodse schoonzoon heeft en zichzelf bestempelt als „Israel’s biggest friend”? En de davidster om de nek van Netanyahu, was dat een verwijzing naar het jodendom of naar de Israëlische vlag? Het maakt de prent er niet scherper of subtieler op, toch wel de onmisbare ingrediënten van een goede politieke cartoon.

Ruben L. Oppenheimer

De kritiek die de NYT kreeg was niet mals en de krant ging dan ook diep door het stof. Er werden in de krant excuses aangeboden, het samenwerkingsverband met een internationaal cartoonbureau werd opgezegd. En deze week besloot de NYT zelfs om alle politieke prenten in de ban te doen, dus ook die van huiscartoonisten als de gerenommeerde Patrick Chappatte. Een rigoureus besluit waarmee de Amerikaanse krant een knieval maakt voor „moralistische meutes”, aldus Chappatte in een kritisch stuk over het besluit van de NYT. De krant zelf zegt slechts de internationale uitgave gelijk te schakelen met de nationale editie, waarin überhaupt geen politieke cartoons verschenen.

De politieke prent is per definitie een kwetsbaar genre, omdat die over politiek gaat – over macht dus. Cartoonisten zijn daarmee luizen in de pels, wereldwijd. Want „spotprenten trekken zich niets aan van grenzen”, zo schreef Chappatte. „Wie zal keizer Erdogan laten zien dat hij geen kleren heeft, als Turkse cartoonisten dat niet meer kunnen doen? Tekenaars uit Venezuela, Nicaragua en Rusland werden gedwongen in ballingschap te gaan. Politieke spotprenten komen voort uit democratie. En ze staan onder druk als de vrijheid bedreigd wordt.”

Lees ook het commentaar: Schrik voor reacties is een slechte reden om cartoons te schrappen

Beroemd zijn in dat licht de politieke prenten van David Low (1891-1963), die vanaf de jaren twintig vooral kritische cartoons over de opkomst van fascistische leiders als Hitler en Mussolini publiceerde. Lows karikaturen van de Führer in de Evening Standard vielen verkeerd bij de nazi’s, en in 1937 oefende Berlijn druk uit op de Britse regering en de krant om de cartoonist het zwijgen op te leggen. De Chamberlain-regering, die Lows werk schadelijk vond voor de Anglo-Duitse betrekkingen, wilde daar best gehoor aan geven. Low liet zich niet intimideren en bleef compromisloos tekenen, niet alleen kritisch over dictators maar ook over de appeasementpolitiek van Chamberlain. Na de oorlog werd Low geridderd om zijn werk.

Hajo
Siegfried Woldhek
Kamagurka

Toen ik nog voor de klas stond (ik gaf korte tijd geschiedenis en maatschappijleer) heb ik Lows werk veelvuldig gebruikt om leerlingen vertrouwd te maken met dit bijzondere genre van de westerse beeldcultuur, en de historische betekenis ervan. Want de cartoonist veronderstelt naast voorkennis ook een affiniteit met de beeldcultuur. Je moet een prent kunnen ‘lezen’, de metaforen begrijpen, de laag onder de oppervlakte zien, de diepere betekenis eruit kunnen halen. Gek genoeg lijken we daar tegenwoordig steeds slechter in te zijn, terwijl prenten in het verleden juist gewaardeerd werden omdat iedereen ze in principe kon ‘lezen’, dus ook de on- en laaggeletterden.

Lees ook: Was deze cartoon van de New York Times antisemitisch?

Een verklaring zou kunnen zijn dat mensen nu veel gevoeliger zijn geworden en media daar steeds meer rekening mee houden, zoals illustrator Cyprian Koscielniak ondervond toen hij kort bij de NYT aan de slag kon. De ene na de andere ingezonden cartoon werd teruggestuurd, uit angst groepen mensen voor het hoofd te stoten. Een mijnenveld, aldus Koscielniak, en funest voor de vrijheid van expressie. Want als cartoons niet (potentieel) kwetsend mogen zijn, dan gaat dat ten koste van de kwaliteit. Een soort visuele Esperanto (dixit Koscielniak) als oplossing is niet alleen inspiratieloos, maar in zekere zin ook een vorm van censuur.

Censuur hoeft dus niet alleen te komen van dictators. Berucht is de Deense cartoon-affaire uit 2005, toen woedende moslims de straat opgingen vanwege afbeeldingen van Mohammed. Veel moslims kunnen niet met de westerse beeldcultuur omgaan, werd eufemistisch vastgesteld. Imam Abdulwahid van Bommel, die eerder al tijdens de Rushdie-affaire moslims geduldig probeerde uit te leggen dat een roman niet letterlijk opgevat dient te worden, vond de Deense prenten niet zozeer kwetsend maar gewoon slecht getekend (behalve de cartoon waar een wachter bij de hemelpoort tegen een lange rij zelfmoordcommando’s roept dat de maagden opraken). Gelukkig zijn we in Nederland gezegend met betere tekenaars, aldus Van Bommel.

Daarmee komen we ook op een andere ontwikkeling: de verschraling van het cartoonistenvak. De drempel is steeds lager komen te liggen (met een computer kan tegenwoordig iedereen wel tekenen), en cartoons zijn soms platter en smakelozer dan de politieke prenten van weleer. Provoceren om het provoceren, met bedreigingen of erger tot gevolg. Dat maakt een redactie ook kwetsbaar, want overgaan tot niet plaatsen (om esthetische of inhoudelijke redenen) wordt al gauw beschouwd als laf.

Het besluit van de NYT om geen cartoons te publiceren, is een glijdende schaal. Een krant die het serieus tot zijn taak rekent om de democratie te beschermen, moet de controversiële spotprent koesteren. Zodra je omwille van gevoeligheden (en nee, die komen niet alleen uit islamitische hoek) maar één prent inlevert, zullen de moderne iconoclasten bloed ruiken en met hun gummen zwaaien; dan lever je uiteindelijk alles in.

RGvT

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.