Gasthuismolensteeg

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad Amsterdam.

Een vriend die in de Gasthuismolensteeg woont, vertelde mij dat de dichter Han G. Hoekstra vlak na de oorlog ook in de Gasthuismolensteeg had gewoond. Daar dichtte hij: ‘Er springen liedjes uit de Westertoren./ Ik hoor ze in de Gasthuismolensteeg.’ Ik viel steil achterover. Waarom kende ik die regels niet?

In bloemlezingen wordt Han G. Hoekstra meestal weggezet als de dichter van ‘De ceder’ (‘Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,/ gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.’), geen gedicht dat tot verder lezen noodt. Gelukkig kende ik Het verloren Schaap en wist ik dat Hoekstra meer te bieden had dan een ceder.

‘Jaapje op reis’ bijvoorbeeld: ‘Tingeling!/ Tingeling!/ Opgelet!/ Wie komt daar aan op zijn auto-ped?/ Ruim baan!/ Ruim baan!/ Daar komt Jaapje Visser aan./ (…)/ Heeft nog maar een uur./ Maakt een grote reis./ Moet nog naar/ Afrika/ Amerika/ Parijs!’

Hoekstra schreef dit op de Prinsengracht 186, waar hij sinds 1935 woonde, op de hoek van de Rozengracht, met uitzicht op de Westertoren en vlakbij de Rozenstraat, van: ‘De kinderen uit de Rozenstraat/ lopen meest op blote voeten,/ ze zijn de hele dag op straat,/ alsof ze nooit eten moeten.’

Han G. Hoekstra was bevriend met Jan Campert. „Als hij Amsterdam aandeed”, schreef Hoekstra, „moesten er drie dingen gedaan worden: russisch gebiljart, gepraat en geborreld. Het eerste in de Jonge Roelensteeg; borrelen en bijpraten bij de Engelse Raid, Scheltema of Reijnders.” Raid is inmiddels Reet geworden.

Na de oorlog werd Hoekstra redacteur van Het Parool en trad hij op als spreekstalmeester van het legendarische journalistencabaret De Inktvis, waarvan ook Eli Asser, Annie M.G. Schmidt en Simon Carmiggelt deel uitmaakten.

„Als je samen met hem over straat liep”, zei zijn collega Friso Endt, „keken alle vrouwen hem na.”

Omgekeerd was Hoekstra dol op vrouwen, ook in zijn poëzie, zie zijn ‘Kleine ballade in kant en zij’ (‘Mijn lief zit op de bedderand/ te ritselen met zijde en kant.’), zie zijn ‘Van meisjes’ met de regel ‘Ze lachen en dragen maar truitjes!’

Zijn verzen over de stad ademen de stad, zoals hij was en een enkele keer nog wil zijn.

Dit is het begin van ‘Cleanshaven’ uit de bundel Het ongerijmde leven: ‘Ik kwam, na het bad, geschoren,/ de kamer in, schoof het gordijn/ van het raam aan de grachtkant terzijde,/ zag de laatste tram wegrijden;/ toen klonk, ik was net binnen,/ de klok van de Westertoren./ Kijk, meende ik, dat ligt in de lijn,/ dat klokken op dit uur beginnen.’

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad Amsterdam.