Recensie

Recensie Boeken

Een winkelruzie die tot krankzinnigheid leidt

Thomas Bernhard In zijn uit 1971 daterende, maar nu vertaalde roman Wandeling probeert iemand door koortsachtig denken vat te krijgen op de samenleving. Het levert een typische Bernard-vertelling op, die doet denken aan zijn beroemde Wittgensteins Neffe.

Iemand is ‘op het hoogtepunt van zijn denken’ krankzinnig geworden. Het gaat om een zekere Karrer, die ‘met grote intensiteit’ dacht, en daardoor, zoals hij zelf besefte, het risico liep de grens naar krankzinnigheid te overschrijden – ‘maar daar kan ik geen rekening mee houden’.

Tijdens een van de wandelingen door het Wenen van Karrer met zijn vriend Oehler, ging hij de kledingzaak van Rustenschacher binnen en sprak er schande van dat de verkoper hem broeken aanprees als Engelse kwaliteitsproducten, terwijl het volgens hem ‘Tsjecho-Slowaakse dumpgoederen’ waren. In het dispuut dat volgde wond hij zich dermate op dat hij krankzinnig werd.

Dit voorval wordt door Oehler verteld aan de naamloze ik-verteller van Wandeling. Karrer was al vaker opgenomen in psychiatrisch ziekenhuis Steinhof, en ditmaal zal hij er niet meer uitkomen, verwacht Oehler. Voorzover er in Wandeling van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) sprake is van een intrige, is het dit.

Wandeling (Gehen, 1971) roept herinneringen op aan Wittgensteins Neffe (1982), waarin Bernhard verslag deed van zijn vriendschap met Paul Wittgenstein, een neef van filosoof, en het zwarte schaap van de familie. Net als Karrer in Wandeling was Paul Wittgenstein op zijn manier een diepzinnig denker, ook met hem was het Steinhof in en Steinhof uit, en wanneer een nieuwe episode van waanzin zich aandiende, had hij het op een dure Weense kleermakersfirma voorzien, die hij met absurde eisen achtervolgde.

Was Wittgensteins Neffe een roerend, autobiografisch relaas, Wandeling is een enigszins hermetische vertelling. De analogie tussen lopen en denken die wordt uitgewerkt (‘Als we goed kijken naar iemand die loopt, weten we ook hoe hij denkt. Als we goed kijken naar iemand die denkt, weten we ook hoe hij loopt’) is nog vrij normaal, maar de weergave van de gesproken tekst is merkwaardig. De ik-verteller, over wie we vrijwel niets te weten komen, geeft Oehlers woorden in de directe rede zonder aanhalingstekens weer, en zo ook de woorden van personages die door Oehler geciteerd worden, wat leidt tot omslachtige formuleringen als: ‘[...] zegt Karrer tegen mij, aldus Oehler tegen Scherrer’. En dat met ijzeren consequentie.

De herhaling, een geliefde stijlfiguur van Bernhard, wordt in deze tekst tot het uiterste gevoerd: ‘Waarschijnlijk zou ik ook helemaal niet de winkel van Rustenschacher in zijn gegaan, we waren immers nog maar twee of drie dagen vóór dat bezoek aan de winkel van Rustenschacher in de winkel van Rustenschacher geweest.’ Deze herhaling toont een obsessief-compulsieve inborst, evenals Karrers gewoonte alles het adjectief ‘zogenaamd’ mee te geven.

Een samenvatting van deze vertelling zou kunnen luiden: de mens is ongelukkig; wie verstand zou hebben, zou zelfmoord plegen; we hebben echter slechts een ‘surrogaatverstand’; daarmee is al het denken onzin, inclusief deze gedachte. In Wandeling probeert iemand door middel van koortsachtig denken vat te krijgen op de werkelijkheid, maar door zijn formuleringswijze is duidelijk dat hij die verliest. Dat Steinhof ook Oehlers bestemming is, lijkt geen gewaagde veronderstelling.

Het is een weinig toegankelijke, maar toch fascinerende tekst. Het absurdisme en de apodictische toon à la Ludwig Wittgenstein doen soms grinniken, maar het effect is vooral beklemmend. De tirades van Oehler tegen de medische stand en de staat Oostenrijk zijn dan in verhouding nog luchtig.