Recensie

Recensie Boeken

Moet je deze zieke redacteur wel op z’n woord geloven?

Wouter Godijn Een bedlegerige redacteur droomt over zijn verziekte familieverleden. Dit is een roman die je bijblijft.

Illulstratie Paul van der Steen
    • Sebastiaan Kort

Boeken, romans vooral, worden nog wel eens geprezen vanwege de nawerking, vanwege het langdurige malen dat optreedt na het omslaan van de laatste pagina. Het is in het licht van de nawerking dat ook Wouter Godijns De kamer waar alle verhalen beginnen een compliment verdient. Een groot compliment. Want waar bestaat het herkauwen, het verteren van deze roman uit? Uit achteraf niet meer precies weten of je nou aan de echte familieleden van het hoofdpersonage denkt, of aan de fictieve.

Dat verdient uitleg.

De kamer waar alle verhalen beginnen is een roman met twee gezichten, één dat ik maar even het echte zal noemen en een zuiver fictief (maar ook weer niet helemaal). Godijn (1955) spijkert dat schizofrene bouwwerk in elkaar met een in aanleg eigenlijk best wel uitgekauwde techniek, namelijk door zijn verteller, een bedlegerige redacteur van een uitgeverij, te laten dromen. Gelukkig staat Godijns droomgreep niet veel in de weg, ik ergerde me er in elk geval niet aan dat de redacteur bij voortduring via het indommelen afdwaalt naar andere tijden of andere werelddelen, dan weer vergeven van geheimzinnige creaturen als ‘berggeesten’ en ‘moerasvrouwen’, dan weer van futuristische, post-apocalyptische ‘trekkers’ dan wel ‘ondergangsaanbidders’, inclusief bloedlinke hanenkam.

Puur de taal

Wie al wel eens eerder een roman van Godijn las, weet dat hij sterk neigt naar het koortsachtige, naar het punt waar de taal begint over te koken en bruisend onder de deksel trilt. Hij schrijft dan op klank, zou je kunnen zeggen, waarschijnlijk uit de aandrang om zijn personages of verteller te bevrijden uit het stijve, inperkende korset van de redelijkheid dat bijvoorbeeld een extatische ervaring in de weg staat. Er wordt dan bijna gezongen, zoals in die ronduit enerverende openingstaferelen van Hoe ik een beroemde Nederlander werd (2013) met een jonge jongen die, staand langs een kanaal, probeert een ‘snoooooeeeek’ uit de waterige diepte de wal op te krijgen. Dat is dus puur de taal, taal die meer moet dienen dan het aap-noot-mies-etiketteren van de vangst van een roofvis; in deze nieuwe roman heeft Godijn zijn behoefte om ervaringen als een kikker op te blazen in de structuur tot uiting gebracht.

Dat moet misschien ook wel, dat oppompen, want de redacteur is dus aan het bed gebonden en maakt daardoor bar weinig meer mee. Na zijn beklag te hebben gedaan over de miezerige staat van de (serieuze) literatuur somt hij op wat nog wel marcheert en wat daarom tegenwoordig ook door zijn uitgeverij op de markt wordt gebracht: thrillers, fantasy en sciencefiction. Omdat hij zich beroepshalve zo heeft ondergedompeld in deze genres, nemen de drie lange dromen die de kern van het boek vormen deze vorm aan: de redacteur droomt achtereenvolgens een fantasy-, een thriller- en een sf-droom.

Een pakkend uitgangspunt, helemaal als je door begint te krijgen wat Godijn doet in die verhalen, namelijk het plaatsen van een verziekte familiegeschiedenis (die van de redacteur). En dus krijgen we een soort Game of Thrones-achtig narratief voorgezet, maar met daarin een Vatersuche, een op Raymond Chandler of Dashiel Hammett geënt misdaadverhaal, inclusief een verdwenen zus, en een sf-verhaal à la J.G. Ballard met daarin een draad over een afwezige moeder.

Rasters

Ergens las ik al dat Godijn deze ‘lagere’ genres in dit boek heeft willen omarmen, maar er is hier ook iets anders aan de hand, iets wat veel interessanter is. Met zijn verwevingstechniek benadrukt Godijn dat als ‘we’ (wij, 21ste-eeuwse westerlingen) de voorkeur geven aan bepaalde verhalende structuren van de thriller of van het fantasy-verhaal, we onze eigen ervaringen, ons eigen leven dus, óók alleen nog maar vanuit die rasters kunnen begrijpen. Zoals je anderhalve eeuw na Nietzsche mensen nog steeds hoort praten over het goed en kwaad uit de Bijbel, zo werkt dat natuurlijk ook met andere verhaalvormen of waarden.

Wat betekent dit voor de redacteur? Wel, vooral dat zijn familieziekte in het licht wordt geplaatst van heftige, ingrijpende elementen als vergelding, eerzucht en, ja, geweld of op z’n minst de dreiging daarvan, niet toevallig vaak de basisingrediënten van de gehanteerde genres. Omdat de redacteur tussen deze verhalen door ook over zijn familieachtergrond spreekt, ontstaat dus langzamerhand dat mengsel in het hoofd van de lezer, die legering van ware en gefictionaliseerde familiegeschiedenis. Wat mag je ‘meenemen’?

Lees ook het interview: Wouter Godijn: ‘Verontwaardigd zijn is heerlijk’

Veel verhaalstof zal er omwille van het drama staan. Maar moet je de redacteur wél op z’n woord geloven? De toon, de ernstige toon, zorgt ervoor dat je geneigd bent hem te geloven. Maar wat is literatuur, wat is fictie anders dan de demonstratie van een aannemelijke toon? Bovendien is de scheuring tussen de redacteur en zijn beminde zus ontstaan omdat de eerste dusdanig verliteratuurde dat zij hem niet meer herkende. Een geschikter persoon om ons voor te liegen is er dus niet.

Ernst en luim

Los hiervan: je hebt met de drie verhalen heel behoorlijke verhalen in handen, al schommelt het niveau wel. Wat bij Godijns poëzie zo goed werkt, namelijk niet weten wat ernst is en wat luim, dat komt in zijn proza toch niet altijd even goed uit de verf. Ik moest erom grinniken dat hij er in de thriller voor kiest om van een onbenullige mededeling als ‘mijn zus is een kei in alles wat met ICT te maken heeft’ een aparte, bombastische alinea te maken, maar van andere tekstdelen is het ook onduidelijk wat het verheffende belang ervan is. Of zoek je dan te veel, verwacht je dan te veel en is dit echt alleen maar de doem-, spannings- of behekste-sprookjesbospulp zoals het bedoeld is?

Laat ik het anders zeggen: iets vaker had Godijn wel mogen laten zien waar – los van de vernieuwingsdrang – de literatuur het van moet hebben, namelijk van de beschrijving van de menselijke ervaring, direct dan wel indirect. Het schurende ongemak bij het lezen over incest, incest die hier door een broer en zus helemaal niet zo fout wordt beleefd als het natuurlijk wel is, zoiets lees je alleen in een literair boek. Toch? Of schreef Godijn het nou gewoon in dat fantasy-verhaal? Snel terug naar start.