Foto Frank Ruiter

Docent van het jaar: ‘Ze zijn heel mondig. En hun leven is volwassener’

Lunchinterview Lucelle Deneer (45), docent van het jaar, ziet zichzelf als ondernemer en haar leerlingen als klanten. „Als ik winst wil behalen, moet ik zijn waar zij rondhangen. Facebook was mijn klaslokaal.”

Lucelle Deneer (45) stond op haar 19de voor het eerst voor de klas, als stagiair. „Een klas mavo-4 en een havo-5. Daar zaten leerlingen van 18 tussen, die zeiden mevrouw tegen mij.” Ja, knikt ze, natúúrlijk deden ze dat. Dat was op een school in Almere. Daarna was ze docent geschiedenis en maatschappijleer op scholen in Amsterdam, Lelystad en Hilversum. Nu is ze dat op het Christelijk College Groevenbeek in Ermelo. Ze moet ernaar gissen wie haar heeft voorgedragen – ouders, (oud-)leerlingen, collega’s – maar dit jaar werd ze uit achthonderd genomineerden verkozen tot docent van 2019.

Het was die uitverkiezing die ons naar haar leidde. Als iemand iets kon zeggen over het wel en wee van de huidige generatie scholieren, dan zij wel. Zij ziet ze elke dag. Toen hadden we nog niet uitgerekend hoeveel kinderen ze in 23 jaar heeft lesgegeven. Ze telt hardop, op haar vingers, hoeveel klassen ze dit jaar heeft – „een examenklas, K4, B33…”. Zes klassen vmbo, pakweg 75 leerlingen tussen de 12 en 18 jaar. Afgerond heeft ze dus bijna 2.500 prepubers en bijna-volwassenen voorbij zien komen. Leerlingen uit bijzonder en regulier onderwijs, uit regio en stad, van confessionele én openbare scholen.

We zitten op een terras in het centrum van Ermelo, ze is er vanaf haar schoolgebouw met de auto heen gekomen. Ze werkt vier dagen, waarvan twee – dinsdag en donderdag – tot een uur of tien uur ’s avonds op school. „Nakijken, werkstukken lezen, lessen voorbereiden.” Een dag is ze thuis met haar dochter van 10 en zoon van 7, en een dag per week werkt ze thuis aan de ontwikkeling van een telefoon-app voor examenleerlingen. Ze vroeg en kreeg daarvoor subsidie en begeleiding van het Lerarenontwikkelingsfonds. Haar idee is even simpel als vernieuwend. Een leerling logt in, kiest een vak en krijgt dan twintig quiz-achtige vragen. Bij ten minste 18 goede antwoorden, klim je een level. Bij te veel fouten verschijnen er twintig nieuwe vragen. Ze bedacht het aanvankelijk voor ‘haar’ leerlingen, vmbo’ers. „Ze zijn hun boeken zat, maar vinden dit wel leuk. Ongemerkt oefenen ze de stof, zonder dat het voelt als leren.” Nu past ze op verzoek de app aan, voor en met leerlingen van alle niveaus.

Een docent is een ondernemer, zo ziet zij het. Haar leerlingen zijn haar klanten. „Als ik een nieuw product aan de man wil brengen, moet ik eerst marktonderzoek doen.” Tien jaar geleden zag ze: alle kinderen zitten op Hyves en Facebook. „Als ik winst wil behalen, moet ik zijn waar zij rondhangen.” Ze bedacht een Facebook-spel met vragen, opdrachtjes, een kennistoets op haar pagina, en wie goed antwoordt, verdient een punt extra voor de eerstvolgende toets. „Facebook was mijn klaslokaal. Mijn regels gelden. Dus geen ongepaste taal of gedoe.” Facebook is alweer uit, ze bereikt de leerlingen nu via Instagram en Snapchat. Ze schaterlacht. „Zo leuk. Je kunt kleine steekjes geven, zeker in mijn vak. Dan zie ik iets op het nieuws, en dan stuur ik een snap van: hé jongens, morgen in de les gaan we het hierover hebben.” Ze post berichtjes om hen te helpen herinneren aan een naderend proefwerk. Vlak voor de examens stuurt ze een mini-vlogje waarin ze hen succes wenst.

Oogcontact houden

Sinds haar twaalfde wilde ze leraar worden, zegt ze, op haar veertiende wist ze het zeker. „Twee leraren maakten het in me wakker.” De eerste was meneer Nieboer op het vmbo. „Hij gaf biologie, daar was ik niet zo goed in, tot verdriet van mijn moeder. Zij was analiste bij een veterinair laboratorium en dacht dat ik haar talent daarvoor wel geërfd zou hebben. Maar meneer Nieboer kon het niet schelen of je goed of slecht was in zijn vak. Hij zag je.” Voor de lessen van meneer Abbes, op de havo in Lelystad, werd gerénd. „Hij gaf geschiedenis. Hij durfde het aan ook de minder mooie onderwerpen te bespreken. De politionele oorlogen in Indonesië, slavernij, de apartheid in Zuid-Afrika. Wat hij altijd deed, was: oogcontact met mij houden. Ik was de enige Surinaamse in de klas. Hij vertelde en vertelde en ondertussen hield hij in de gaten: hoe gaat het met Lucelle.”

Soms vergeten ze dat ik in hun klassen-WhatsApp zit en meelees. Dan hoef ik alleen maar ‘ahum’ te zeggen en dan is het meteen ‘sorry mevrouw’

Ze bidt, kort en onhoorbaar, voor we aan de salade beginnen. Waarin verschilden de kinderen uit haar beginjaren met die van nu? Zonder na te hoeven denken, zegt ze: „Toen waren ze kinderen. Echte kinderen.” Ze wachtten haar op bij de deur. „Ze droegen je tas, je kopje thee.” Ze vormt een denkbeeldige cirkel om zich heen. „Ze wilden zo dicht mogelijk bij je zitten.” Ja, knikt ze, ook de kinderen in Amsterdam. „Ze haalden me op bij de tramhalte, tien, vijftien kinderen. Samen liepen we naar school.” Jongens én meisjes, onder- en bovenbouw.

En hoe zijn ze nu? Dit keer moet ze wel eerst nadenken. „Hun leven is volwassener, in sociaal en economisch opzicht. De meesten werken erbij. Vroeger kregen ze zakgeld voor wat lekkers bij Jamin en kleedgeld. Nu hebben ze een eigen inkomen. Ik begin al in september tegen ze te zeggen dat ze in mei vrij moeten vragen bij hun baas, anders werken ze tijdens de examens nog.”

Als ze sporten, is het meteen heel serieus en intensief. „Volwassenen zien kinderen graag scoren, scoren. Er is minder oog voor het kind als persoon.” Misschien, denkt ze, worden kinderen daardoor solistischer, zakelijker. Haar vorige school, in Lelystad, hield twee keer per jaar een culturele avond. Zij deed de grime, haar man begeleidde de muziek, hij is muziekdocent. „Dat was altijd dé happening. Maar kinderen haakten meer en meer af. Ze hadden sport, moesten werken. Ze wilden wel, maar ze hadden de tijd niet.”

Weinig is nog privé

Ze zijn mondiger, zegt ze. Heel mondig. „Soms, als ik filmpjes zie op YouTube, beangstigt me dat. Je ziet docenten, in de klas, die worden uitgescholden, geduwd.” Dat is haar, even afkloppen, nog nooit overkomen. „Leerlingen mogen van mij meebeslissen wat ze willen leren en hoe. Ze hoeven niet klakkeloos aan te nemen wat ik zeg, ze mogen me tegenspreken, maar ik hecht wel aan hoe dat gebeurt. Omgangsvormen vind ik belangrijk. Ook in de virtuele omgeving. Soms vergeten ze dat ik in hun klassen-WhatsApp zit en meelees. Dan hoef ik alleen maar ‘ahum’ te zeggen en dan is het meteen ‘sorry mevrouw’.”

Mogen ze hun telefoon in de les gebruiken? „No way.” De schooldirectie is er niet happig op. Iedereen moet bij binnenkomst de telefoon in een zak aan de deur doen. „Eerlijk, ik was het daar eerst niet mee eens. Ik gebruikte de telefoon ook in de les.” Ze is zelf streng opgevoed, zegt ze. Haar vader was basisschoolleraar in Paramaribo. „Voor mij spreekt vanzelf wat wel en niet mag, ook online. De schooldirectie heeft al mijn inlogcodes. Ik blijf de docent, in elke WhatsApp-conversatie, in elk privébericht dat ik stuur.” Ze heeft haar lesmethodes aangepast, minder met de mobiel, minder digitale ‘gamification’, hoewel ze af en toe een grapje niet kan laten. „Ik zag in Magister [het online schoolrooster, red.] dat mijn klas op één dag drie proefwerken had. Het mijne was als laatste gepland. Toen ben ik de school uitgelopen, heb een selfie gemaakt in de buurt, en de klas geappt dat de eerst vijf die me wisten te vinden een paar hints konden verdienen tijdens de toets.”

Ze zijn mondiger dus, volwassener. Maar, zegt ze, dat betekent niet dat ze volwassen zijn. „Je moet ze blijven begeleiden, ook, juist in die nieuwe hang-outs van ze. Wij, volwassenen denken: handig, we zetten alles in Magister, dan weten ze waar ze aan toe zijn. Maar we vergeten dat ze zelf moeten leren plannen, dat ze overzicht moeten houden. Dat was toch de leukste tijd van het jaar, vroeger, als de nieuwe schoolagenda’s bij de Hema lagen en je kon beginnen met invullen?” Ze ziet politieke partijen hun weg vinden naar haar leerlingen, actievoerders, marketingbureaus. „Het is heel mooi dat het allemaal kan, dat onze samenleving zo democratisch is, zo pluriform. Maar, zeg ik tegen ze, dat betekent ook dat er van jullie verwacht wordt dat je aan factchecks doet. Klopt dit? Is dit zo? Wie zegt dat?”

Ze zien, ze weten en ze delen dingen in de digitale wereld die nog niet bij hun leeftijd horen. „Weinig is nog privé, zo lijkt het. Je begrijpt meteen waar die zogenaamde volwassenheid vandaan komt.” Dat zie je terug in de klas. „Taboes lijken verdwenen. Alles wordt gedeeld. Bijna ongeremd. Vies verhaal, maar laatst vertelde iemand openlijk dat z’n vader was geopereerd aan die balletjes tussen zijn billen. O, aardbeien, riep de hele klas. Soms vraag ik me af of ouders weten waar je als docent allemaal weet van hebt.”