Recensie

Recensie Boeken

Wat er gebeurde toen ik koning Arthur herlas

Arthur Jaren geleden smulde schrijver Jan van Aken al van de literaire draai die T.H. White gaf aan de verhalen over koning Arthur. Nu de boeken opnieuw vertaald zijn, herlas hij ze. ‘Pas nu besef ik hoe groot de inbreng van White is in de complexe Arthursaga.’

Illustratie: CVR

Het is altijd riskant om een boek te herlezen dat grote indruk maakte toen je dertien was. Ik aarzelde dus toen ik de nieuwe vertaling van Arthur, de koning van eens en ooit van T.H. White (1906-1964) ter hand nam; soms kun je je beter houden bij de herinnering, zeker als je in de loop van de jaren naast de bronnen de epische dichtwerken hebt gelezen, en nieuwe romans die aanhaken bij de nog altijd populaire verhalencyclus.

Het eerste deel, Het zwaard in de steen, staat me nog het meest bij; misschien zou je het genre nu young adult noemen. Op lichtvoetige en humoristische wijze worden we ingevoerd in de middeleeuwse wereld van de jonge Wart, die opgroeit bij de edelman Sir Ector en die als wees steeds in de schaduw blijft van zijn opvliegende stiefbroer Kai.

Op een dag meldt de oude Merlijn zich als leraar voor Wart. Om de jongen vaardigheden bij te brengen voor zijn toekomstige koningschap, laat de tovenaar hem kennismaken met de dieren in en om Ectors kasteel. De beschrijvingen van deze ontmoetingen zijn zo levendig en gedetailleerd dat je de indruk krijgt dat de verteller zelf zo’n leerschool heeft doorlopen. Hij weet hoe dieren denken, hoe ze reageren. Hij kent de discipline van de roofvogels en de totalitaire wereld van de mieren, die onder het werk propagandateksten te horen krijgen.

Koning Arthur zou ergens rond het jaar 500 hebben geleefd, een kleine eeuw nadat de Romeinen zich terugtrokken uit Brittannië, maar afgezien van wat verwijzingen in poëzie en bardenliederen is er uit die donkere eeuwen niets overgeleverd. Voor zover Arthur een historische basis heeft, is die overwoekerd geraakt door verhalen, legenden, gedichten en de rijke verbeelding van scribenten.

Plagiaat

Vroege geschiedschrijvers als Gildas en Beda vertellen over een grote slag bij Mons Badonis waar Ambrosius Aurelianus de Saksische invallers versloeg. De eerste die Arthur noemt als overwinnaar van die slag is Nennius, een kroniekschrijver uit de negende eeuw. Feit is bij hem niet te onderscheiden van fictie. Nennius, die het geteisterde Britse volk wilde voorzien van een roemrucht verleden, zal ook zijn verbeelding flink hebben aangesproken.

Een nieuw boek over de Arthur-legenden biedt een magistrale blik op de rijke verbeeldingskracht in de Middeleeuwen. Lees ook: Koning Arthur in een wereld vol verarmde ridders en verwarde verliefden

Die vroege historici overlappen elkaar vaak en nemen grote stukken van hun voorgangers letterlijk over. Plagiaat was nog geen probleem, iedere schrijver kon nieuw opduikende legenden en zijn eigen geesteskinderen verweven met het uitdijende corpus rond de niet-gestorven koning. In Geoffrey van Monmouths Geschiedenis van de Britse koningen (1136) brengt Arthur het tot grote koning van Brittannië en ook Merlijn verschijnt nu in het verhaal. Het boek wordt een sensatie, het middeleeuwse equivalent van een bestseller. Voor de Franse en Aquitaanse troubadours biedt het Arthurverhaal een ideaal aanknopingspunt voor de hoofse en romantische geest die door het tijdperk waait.

Chrétien de Troyes introduceert Lancelot en de graal; Robert de Boron verbindt de graalmythe met Jozef van Arimathea. Duitse dichters volgen en ook de Nederlanden dragen bij aan de grote romancyclus.

Kille moeder

Een volgend hoogtepunt is de meesterlijke prozabewerking Le Morte d’Arthur (1485) van Sir Thomas Malory. Er zullen in de daaropvolgende eeuwen nog talloze versies en uitlopers volgen, maar het is op dit laatste boek dat T.H. White zich baseerde toen hij in 1939 The Sword in the Stone publiceerde, het eerste deel van wat later Arthur, the Once and Future King zou heten, dat nu dus opnieuw is uitgegeven.

Ik las het boek voordat ik Monty Python leerde kennen, maar meen in White een voorloper en inspiratiebron te zien: de absurde dialogen; de hilarische queeste van Sir Grummore en de Saraceen Palomides in het vreemde en hilarische tweede deel van het boek; koning Pellinore en zijn levenslange jacht op het Blaffende Beest; de vier zonen van de heks Morgause, die, hongerend naar aandacht van hun kille moeder, een eenhoorn vangen, en dat alles in een vertaling die recht doet aan de speelsheid en de woordenrijkdom van White.

Pas nu, bij herlezing, besef ik hoe groot de inbreng van White is in de complexe Arthursaga, want dat eerste boek, waarin we de jeugdige Wart volgen in zijn ontwikkelingsgang, is zíjn innovatie. Bij Malory, die leefde in een tijd waarin geschiedschrijving en literatuur weinig aandacht schonken aan het kind, treedt Arthur pas uit de schaduw als hij het zwaard uit de steen trekt en daarmee zijn troon wint. De jeugd van zijn held doet Malory af in één zinnetje: ‘…and so Sir Ector’s wife nourished him with her own pap.’

Ik verneem ook nu pas dat de Disneyversie van het Arthurverhaal uit 1963 (die ik niet ken) gebaseerd is op dit boek. Ik vrees het Quasimodo-effect: wie de film ziet denkt het verhaal te kennen en leest het boek niet. Een kapitale blunder.

Omstreden theorie

Iedere eeuw, ieder decennium kent wel een nieuwe bewerking van de stof; zo baseerde Marion Zimmer Bradley haar The Mists of Avalon (1983) op de destijds populaire theorie van een voorchristelijk, spiritueel matriarchaat. In onze eeuw, waarin de entertainmentindustrie exponentieel groeit, krijgen we bijna jaarlijks een, doorgaans zouteloze, Arthurbewerking aangereikt – in beeld welteverstaan.

Met mijn kleindochter bekeek ik de jeugdserie Merlin (2008-2012): Merlijn en Arthur als leeftijdgenoten in heel multiculturele middeleeuwen. King Arthur uit 2004 volgt de omstreden theorie dat de sagencyclus afkomstig zou zijn van Iraanse ruitervolkeren die als hulptroepen dienden in Romeins Brittannië en er na de ineenstorting achterbleven – een film zonder magie. En de recente knokfilm King Arthur: Legend of the Sword (2017) heb ik maar gelaten voor wat hij is.

Daarom is het van belang om de aandacht te vestigen op White’s literaire klassieker. Ook in mijn herinnering waren de latere, veel grimmiger delen van het boek inmiddels overwoekerd door de vele varianten en zijverhalen. Dat het boek blijft verrassen en fascineren zit ’m niet in de plot, maar in de kracht van de verteller met zijn oog voor detail, zijn humor en zijn personages, die zoveel menselijker zijn dan hun legendarische voorgangers.

Tristan en Isolde

Een historische roman is het natuurlijk niet. Alsof White de legendarische basis van het verhaal wil benadrukken, situeert hij zijn verhaal in het niet-bestaande land Gramarije (gramarye = magie). We betreden hier dus het domein van de fantasy. En waar de kern van de Arthurlegende zou teruggaan op de chaotische eeuw na het vertrek van de Romeinen uit Brittannië, laat White zijn verhaal afspelen in een imaginaire veertiende eeuw.

De enige tegenstander die de onvolmaakte Lancelot uiteindelijk niet kan overwinnen, blijkt hij zelf.

Arthur is nu een nazaat van de Normandische veroveraars. Tegenover zich vindt hij de Saksen en de Kelten. Van dat laatste volk zullen vooral de zonen van de heks Morgause, de Orkney-clan, afwisselend als bondgenoten en tegenstanders, een fatale rol spelen. En de onontkoombare liefde tussen de ‘beste ridder van de wereld’, Lancelot, en koningin Guinevere is zoveel interessanter dan die van hun voorlopers, Tristan en Isolde. Immers, bij die eersten ontvlamt ze door de menselijke hartstocht en niet door een toverdrank. De enige tegenstander die de onvolmaakte Lancelot uiteindelijk niet kan overwinnen, blijkt hij zelf.

White’s verteller is zich goed bewust van alle eeuwen die na Arthur kwamen, want hij schroomt niet een riddertoernooi te vergelijken met een cricketmatch. En als twee ridders in wapenuitrusting op elkaar botsen, klinkt dat als een stadsbus die per abuis een smidse binnenrijdt.

Anachronistische vergelijkingen in historische fictie storen, maar bij White hebben ze een functie, want naast het komische effect dient de voortdurende desoriëntatie in de geschiedenis een ander doel. Dit hangt samen met Merlijn, die achterstevoren leeft in de tijd. Hij leert Arthur alles over oorlog en vrede, over ridderschap en ethiek in wetteloze tijden, maar als Merlijns taak er eenmaal op zit, heeft hij het idee dat hij iets vergeten is. De magiër, die door zijn tegendraadse beweging in de tijd voorkennis heeft over Arthurs lot, vergeet zijn leerling een cruciaal feit te vertellen, en juist dat is de aanzet tot de ondergang van de latere koning en zijn getrouwen.

Manipulatie

Een nadeel van een alwetende verteller is dit: als hij het einde van het verhaal al kent, waarom komt hij dan niet meteen ter zake? Waarom al die omwegen en verwikkelingen? Akkoord, om de lezer te plezieren natuurlijk, maar voor de moderne lezer ligt de manipulatie er wat te dik op. In het boek van White lijdt de alwetende verteller net als Merlijn aan tijdelijke amnesie, waardoor hij datgene wat hij ons aanvankelijk vergat te vertellen, aan het einde van boek nog even terloops meedeelt. Voor Arthur is het dan al te laat.

Stamhoofd, gentleman, rouwdouw, fantasyheld, man onder de plak – koning Arthur heeft vele gezichten. Lees ook: Opgelost in de nevels van Avalon

Van Malory wisten we al dat Merlijn zelf de aanstichter is van het kwaad; immers, met zijn toverkracht hielp hij Arthurs vader, Uther Pendragon, om bij de getrouwde Igraine te slapen. Als voorwaarde moet Uther de bij deze daad verwekte zoon meegeven aan Merlijn. Kennelijk is de tovenaar een control freak die met eerzame bedoelingen een koningsdynastie manipuleert, en zichzelf daardoor blootstelt aan de tijdreisparadox. Door zijn verstrooidheid en onbetrouwbare geheugen, slaagt hij er uiteindelijk niet in het noodlot dat Arthur boven het hoofd hangt af te wenden.

Zou Merlijn soms zelf de verteller zijn? Hier spreekt immers iemand met gezag en ervaring, iemand die gehuifkapt als een jachtvogel discipline opdeed in een valkerij; die gebutst en geschramd de finesses leerde van het steekspel; die vis was met de vissen en ternauwernood ontkwam aan de driedubbelgetande kaken van een oeroude snoek; hij is een verteller die begrijpt hoe de talen van de vogels ontstonden uit de doodskreten van hun prooien; hij vloog met uilen door infrarood-gekleurde nachten en met kolganzen door wolken en hogere luchtlagen. Hier spreekt iemand die geloofwaardigheid verleent aan het ongeloofwaardige en de onttoverde lezer weet te betoveren met superieure nonsens. Dat moet dus wel een echte magiër zijn.