Recensie

Recensie Boeken

Doggerland: het land dat 7.000 jaar geleden tussen Europa en het VK verzonk

Doggerland De Britse Julia Blackburn zwerft langs de Engelse Noordzeekust op zoek naar sporen van Doggerland, het land tussen Europa en het VK dat zo’n 7.000 jaar geleden verzonk. Ze vindt er fossielen, voetafdrukken en beenderen.

Foto iStock
    • Jamal Ouariachi

Na de dood van haar tweede echtgenoot raakte de Britse auteur Julia Blackburn (1948) gefascineerd door Doggerland: het gebied tussen het Verenigd Koninkrijk en continentaal Europa dat na de laatste ijstijd kwam droog te liggen en zo’n zevenduizend jaar geleden door een zeespiegelstijging overstroomd raakte.

Langs de Engelse Noordzeekust, als het getij zich terugtrekt, speurt Blackburn regelmatig naar sporen van dit verzonken land, en haar nieuwe boek, Lied van de tijd. Op zoek naar Doggerland, is het verslag van haar omzwervingen. Er zijn ontmoetingen met amateur-fossielenjagers, ze laat zich informeren en begeleiden door wetenschappelijke specialisten, en zo ontstaat een – noodzakelijkerwijs incompleet – mozaïek van kennis over een voorbije tijd.

Een wereld gaat open van vuursteentjes, al dan niet door mensen bewerkt, tanden van woelmuizen, mammoetbeenderen, voetafdrukken van mensen in de klei. Blackburn probeert daarbij voortdurend dat voorbije verleden tot leven te wekken. Hoewel fossielen en de kennis daarover van de specialisten die zij spreekt, in dat proces helpen, is uiteindelijk de taal haar voornaamste gereedschap om tot een reconstructie te komen.

Constellatie van putjes

Die taal is bij Blackburn heel actief en levendig. Schitterend is hoe zij op een vindplaats van duizenden jaren oude menselijke voetstappen het meest getroffen wordt door ‘een constellatie van putjes in de vlezige zachte klei, achtergelaten door een regenbui die hier op zekere dag tussen 5500 en 5200 voor Christus moet zijn gevallen. Als ik dat zie, hoor ik de regen kletteren en heb ik het gevoel dat vocht met huid en haar te absorberen.’

In haar pogingen de tijden van Doggerland te laten herleven belandt Blackburn ook in Nederland, waar zij zelf een aantal jaren gewoond heeft en waar haar overleden man vandaan kwam. (Dat moet hebben bijgedragen aan haar fascinatie voor wat zich bevindt onder de zeemassa waarover zij zo vaak in haar leven heen en weer gereisd is.)

Vissers vonden slagtanden zo groot als vissersboten en beenbotten zo groot als mensen.

Prachtig is het verslag van een bezoek aan Urk, waar de vissers eind negentiende eeuw op een nieuwe vangmethode overstapten: verzwaarde netten sleepten over de zeebodem en raakten gevuld met alles wat daar te vinden was.

Tanden zo groot als vissersboten

Dat bleken niet alleen vissen te zijn. Wat ook bovenkwam: ‘gebogen ivoren slagtanden, zo groot als vissersboten, schedels zo zwaar als keien die door niemand werden herkend, beenbotten zo groot als mensen. De vissers hadden een hekel aan die botten, deels omdat ze de vis schade toebrachten, maar ook omdat ze niet thuishoorden op de lijst van Gods scheppingen.’ Wat een heerlijke ironie, dat juist in zo’n streng-gereformeerde gemeenschap overblijfselen uit de prehistorie aan het wereldbeeld van de bewoners komen knagen.

Blackburn bezoekt een visser die minder moeite heeft met al die fossielen: Klaas Post, die een enorme collectie van vooral mammoetresten heeft verzameld. Deze Post blijkt een bijzonder scherp beeld te hebben van de zeebodem: ‘Vissers zien dat onderzeese landschap in hun dromen, zei hij, en dan lopen ze erdoorheen.’

Zo is Lied van de tijd ook een boek over aandachtig waarnemen, zo aandachtig dat je dingen ziet die voor anderen verborgen blijven. Over een Britse fossielenjager noteert Blackburn dat hij ‘een soort wichelroede in zijn hoofd had’. En zelf toont zij aan hoe haar schrijversoog precies die details waarneemt die een dode wereld tot leven kunnen brengen.

Dode geliefde

Dat doet ze overigens niet alleen in de vorm van verslagen van excursies en ontmoetingen. Het proza wordt afgewisseld met gedichten in een reeks die ‘Lied van de tijd’ heet, stemmig geïllustreerd door de Spaanse schilder Enrique Brinkmann. In die liederen probeert Blackburn op een andere, meer lyrische manier de grote hoeveelheden informatie die zij heeft vergaard tot uitdrukking te brengen. Daarmee weet ze bijvoorbeeld zoiets groots en onbevattelijks als een geologische tijdschaal klein en persoonlijk te maken. Zelfs iets ogenschijnlijk weerzinwekkends als de complete maaginhoud van de Man van Grauballe, een veenlijk gevonden in Jutland, verkrijgt op die manier een zekere schoonheid (‘Schapenzuring, krulzuring, zwaluwtong,/ hennepnetel en gewone spurrie,/ muizeoor-hoornbloem,/ steenraket en tormentil,/ ganzenvoet, melganzenvoet en vergeet-me-niet/ – zeker niet, geen denken aan –’).

Ten slotte is Lied van de tijd ook het verslag van het verdriet om een dode geliefde. Ook naar hem zoekt Blackburn in dit boek. Ze vindt niet zozeer hém, zo schrijft ze in het laatste ‘Lied van de tijd’, als wel ‘een zweem van je afwezigheid/ in alles wat nog meer afwezig is’. Op het oog lijkt dat een wel erg zweverige formulering, maar het klopt vrij precies, want door het hele boek heen duikt die echtgenoot op, raken de zoektocht naar het verzonken Doggerland en het zoeken naar die dode man met elkaar verbonden. Het is afwezigheid, lege ruimte, die de weg vrij maakt voor de verbeelding. En alleen in de verbeelding kun je terugvinden wat voorgoed verdwenen is.