Hoe deze gereformeerde dichter van zijn geloof viel

Poëzie Roelof ten Napel (26) groeide op in een zwaar gereformeerd milieu maar kwam erachter dat hij niet meer geloofde. “Als ik wel weer bad, voelde dat nep.”

Roelof ten Napel: "Er heerst een algeheel ongemak met seksualiteit onder strenggelovigen."
Roelof ten Napel: "Er heerst een algeheel ongemak met seksualiteit onder strenggelovigen." Foto: Annabel Oosteweeghel

‘Ik heb het idee dat ik in mijn taal enigszins archaïsch ben opgevoed”, zegt Roelof ten Napel (1993). „Dat de manier waarop ik bepaalde woorden hoor meer past bij mensen van twee generaties vóór mij. Woorden als vrees, genade, barmhartigheid. Dat ik ze überhaupt gebruik.”

Die taal is een onalledaags Nederlands vol Bijbelse connotaties – en daar had hij wat aan als dichter. Hij probeerde die uit, vertelt hij op een warme middag in Amsterdam. Het resulteerde in Het woedeboek, zijn eerste dichtbundel, die in november verscheen en een van de opvallendste van het jaar werd. Deze zondag kan Ten Napel er twee prijzen mee winnen: de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut en de Grote Poëzieprijs, voor de beste bundel van het jaar, die op festival Poetry International in Rotterdam worden uitgereikt.

In de gedichten valt het verhaal te lezen van een jonge man die het afscheid van zijn geloof beschrijft. Wat aanvankelijk resteert is woede, in een van de eerste gedichten. En woede kun je, staat er, ‘als een oud motorblok/ ontleden, met je handen verspreiden over een kleed/ op tafel, en opeens alle onderdelen/ zien liggen, een woede zien liggen/ zonder dat hij nog bevestigd is’. Waarbij ‘bevestigd’ dubbelzinnig gelezen kan worden, als ‘los’ en als ‘niet onderkend’: de woede is iets dat nog vorm moet krijgen. Tegelijk is het afscheid niet volledig, suggereert het gedicht erna: ‘iets geeft zich nog te zeggen, iets vraagt nog/ om een mond, een ademhaling’. De taal waarmee het geloof hem voedde, leeft nog.

Roelof ten Napel groeide op in Joure, zijn ouders voedden hem en zijn broer op met de Bijbel, het gezin hoorde tot de Nederlands Gereformeerde Kerk – zijn vader was en is daar predikant. Hij ging studeren, wiskunde en filosofie, en woont nu in Utrecht.

Is het raar om te zeggen dat er minder woede in Het woedeboek zit dan de titel suggereert?

„Woede is een primaire reactie, niet rationeel, niet overwogen. De bundel is een onderzoek, en daarom niet erg boos meer. Je kunt je afvragen of de titel wel rechtstreeks op de bundel slaat – je kunt een bundel ‘Boot’ noemen zonder dat het daarmee een boot wordt. Je kunt ook zeggen dat deze bundel óver het woedeboek gaat, als je de Bijbel zo zou willen opvatten.”

Foto: Annabel Oosteweeghel Anabel Oosteweeghel

Hoe viel je van je geloof?

„‘Geloofsval’ is de allerslechtste term voor wat ik heb meegemaakt. Ik heb God niet op een gegeven moment weggeredeneerd. Ik kwam er meer achter dat ik niet geloofde, of niet meer geloofde. Bijvoorbeeld doordat ik minder ging bidden – als een bepaalde plek niet prettig is, kom je er minder, al mijd je hem niet actief. Als ik wel weer bad, voelde dat nep.”

Je schrijft in een gedicht: ‘ik weet niet/ hoe ik mijn handen vouwen moet,/ wat ze dan worden’, was het zoiets?

„Ja, ik kwam erachter dat die zin waar was doordat ik hem opschreef. Zo zijn deze gedichten ontstaan: ik begin te schrijven, en door de keuzes die ik al schrijvend maak, ontstaat er iets. Het is niet zo dat ik van tevoren iets wil zeggen en achteraf bekijk of de tekst die betekenis goed uitdraagt. Schrijven is een goed moment om erachter te komen wat je daadwerkelijk vindt. Je schrijft iets op en ziet: dit klopt voor mij. Taal forceert soms een omslag in het denken – wanneer je iets niet onder woorden brengt, blijft het vaag.”

Bedoel je dat je door te schrijven ontdekte dat je niet meer geloofde?

„Door het schrijven werd concreet dat ik niet meer geloofde zoals daarvoor.”

Het woedeboek vertoont zo’n hechte eenheid, vol interne verwijzingen en met een soort verhaallijn, dat de bundel nauwgezet gecomponeerd lijkt, maar is het resultaat van jaren verzamelen. „Al voor deze bundel er was zei ik dat ik me primair dichter voelde, wat pretentieus klinkt maar ook gewoon waar was, in de zin dat ik het altijd doe, aantekeningen maken in schriftjes.”

Het bevindelijk gereformeerde milieu beschreef ze wel, maar over de psychologische consequenties ervan zweeg schrijfster Franca Treur aanvankelijk. Lees ook: ´Je leert dat je jezelf slecht moet vinden´

Dat uitproberen van die archaïsche taal, wat was daarvoor de aanleiding?

„Ik wilde die stem uitproberen om het over bepaalde zaken te hebben waar die zich niet per se voor leent. Concreter: de toon van de Bijbel zoals die in strengchristelijke kringen gebruikt wordt, leent zich niet echt om iets positiefs te zeggen over seksualiteit, je lichaam, driften, gevoelens, verlangens.”

Waarom wilde je dat?

„Het is een taal die voor mij vertrouwd voelt, die formuleringen en beelden zitten in mij. In de verantwoording schrijf ik ook dat er in veel gedichten verminkte Bijbelcitaten kunnen zitten, want waarvandaan ze komen weet ik niet altijd. Die woorden hadden waarde voor de persoon die ik ben geweest, maar ze leken niet in staat tot spreken over mijn hedendaagse leven. Mijn vraag was: hoe moet ik deze taal gebruiken om het toch over bijvoorbeeld seksualiteit en verlangen te hebben?”

En?

„Nou, het resultaat is de bundel. Het is een soort opnieuw me de taal toe-eigenen. Veel van deze taal verdween met de secularisering: een woord als ‘genade’ knipten we weg uit het taalgebruik. We blijven achter met wetten en regelgeving. Zoals je je als maatschappij kunt losknippen van een geschiedenis door bepaalde woorden te schrappen, zo is dat op een kleiner niveau ook voor mijzelf. Het is een grote oefening in bekijken welk kind er met het badwater weggegooid is.”

Annabel Oosteweeghel

Je wilde iets van het geloof behouden?

„Het gekke van ‘van je geloof vallen’ is dat God er dan met terugwerkende kracht nooit is geweest. Hij was er niet tót mijn achttiende of negentiende, maar ineens ook al die tijd daarvoor niet meer. Maar ik zat toch met iemand te praten? Dat moest ik opnieuw invullen. Mijn hele wereldbeeld lag vervat in termen als zonde, genade, berusting en barmhartigheid. Als ik die woorden simpelweg opgeef, kan ik de dingen die er zijn geweest niet meer benoemen.”

Zoals berusting?

„Veel mensen gaan nu naar de psycholoog om iets te vinden waar we eerder religieuze instanties voor gebruikten. Ik denk dat je als gelovige gemakkelijker kunt omgaan met hoop die niet uitkomt: dan zal God het zó gewild hebben. Binnen het christendom is daar dan een autoriteitsfiguur aan verbonden, wat lelijk misbruikt kan worden, maar berusting is in principe mentaal gezond.”

Zo onderzoekt Ten Napel meer. Het gedicht ‘hooglied’ in Het woedeboek is een variatie op het meest sensuele Bijbelboek, inclusief echo’s daaruit. Het begint met: ‘ik ben van mijn liefste en mijn liefste/ is van mij’, en eindigt met: ‘ik geef hem mijn vallei vol doden, de wrok/ waarvan mijn hart nog brandt – dat hij me kennen kan/ en me kan kussen met de kussen van zijn mond’. In de context van de bundel valt dat te lezen als de overgave aan een homoseksuele relatie – waarbij ook ‘wrok’ doorgegeven wordt, over de kwetsbaarheid die de geliefde ondervindt door zich over te geven.

„Ik denk niet dat je het label ‘homoseksuele relatie’ erop hoeft te plakken. Er heerst een algeheel ongemak met seksualiteit onder strenggelovigen.”

Je schrijft over aanrakingen: ‘ons geslacht kent zulke zegens niet,/ er komt geen heil uit onze spieren, niet zo’. Gaat dat daarover?

„Eh… Ik schuw er wat voor om over de gedichten te praten, omdat mensen snel geneigd zijn te denken dat ik er meer over weet dan zij. Zo is het dus niet, ik voel me niet de heer en meester van mijn taal. Ik realiseer me nu dat er veel Bijbelverhalen zijn met kussen en aanrakingen bij zegeningen, maar dat gereformeerde mensen elkaar niet bepaald de hele tijd kussen of aanraken. Terwijl het een Bijbels beeld is: ik heb het beeld kunnen lenen uit een geloof dat dit niet meer praktiseert.”

Dat bedenk je nu, maar zo bedoelde je het niet?

„Zo rationeel heb ik die gedichten niet in elkaar gezet. Als ik iets had ‘bedoeld’, had ik wel een essay geschreven. Het is proberen iets te zeggen tot ik denk: zo klopt het, dit meen ik. Het is vertrouwen op intuïtie, zo kan ik iets leren dat ik nog niet wist, iets dat mijn zelfbeeld bijstelt.”

Foto: Annabel Oosteweeghel

Zoals destijds dat je geen gelovige meer was.

„Dat was ook te danken aan mijn intuïtie, ja. Maar ik zie dat niet als iets romantisch: ik besef dat die intuïtie gevormd is, door opvoeding, door alle invloeden in het land waarin ik opgroeide, door de taal waaraan niet ik de betekenis gaf, maar die ik aantrof met betekenis en al. Dat maakte dat ik na die egoïstische bezigheid van het schrijven ook kon besluiten om mijn poëzie te laten lezen aan anderen. Omdat ik geloof dat, ook als ik uiting geef aan iets superindividueels, dat iets kan betekenen voor anderen. Misschien hebben mijn intuïties net zo goed te maken met iemand anders, met ons land.”

In dat vertrouwen op intuïtie zit iets religieus, vind je niet? In dat vertrouwen in iets buiten jezelf?

„Ja, in de zin dat ik accepteer dat ik afhankelijk ben van wat ik heb meegekregen. Zo ben ik ook vertrouwd met het dragen van een schuld die ik niet persoonlijk heb veroorzaakt. Dat kun je heel nuttig vertalen naar moderne debatten. Veel mensen zijn bang om seksist of racist genoemd te worden, omdat hun zelfbeeld is dat ze dat niet zijn, en gaan dat dan ontwijken of goedpraten. Voor een gereformeerde is het niet zo raar om af en toe te horen: we zijn schuldig. Waarschijnlijk ben ik wél racistisch en seksistisch, denk ik dan, want racisme en seksisme zitten ingebakken in de Nederlandse cultuur en ik ben niet op een unieke, afgezonderde manier voortgebracht. Die schuld is een gegeven, dus kunnen we gaan praten over hoe we daarmee moeten leven. Zoiets dank ik aan het geloof en daar hoef ik niet per se vanaf.”

Van dat schuldgevoel voelen veel kerkverlaters zich juist bevrijd.

„Als instrument verzet ik me er niet tegen, maar daarvoor moest ik wel het object van schuld veranderen. Over seksualiteit voel ik me inmiddels comfortabel, ik zie seks als iets leuks, niet iets schaamtevols. Dat is gewenning en ontwikkeling: accepteren dat er dingen in mij zitten waar ik niet zelf voor gezorgd heb.”