Dromers vs. Wakers

Stadsontwikkeling Welke kant moet het op met Rotterdam? Blijven doorbouwen aan de skyline, of het rauwe en lege stadslandschap koesteren. Dromers van het waarachtige stadsgevoel en de bewakers van de historische gelaagdheid strijden om voorrang. Door
In 2013 werd de Rotterdam opgeleverd.
In 2013 werd de Rotterdam opgeleverd. Foto Walter Herfst

Rotterdam is ingedut, vinden ze. Na de komst van het nieuwe Centraal Station, de Markthal en de Rotterdam op de Wilhelminapier, die vijf jaar geleden de belangstelling aanwakkerden, is de stad achterover gaan leunen. Dat de toeristen in groten getale toestromen, lijkt al vanzelfsprekend te zijn. Ze vinden dat de stad wel wat nieuw elan kan gebruiken. Dat er nog veel meer uit te halen is.

Ze, dat zijn de Rotterdamse Dromers, vijf jonge gasten die de stad ‘beter, mooier, groter’ willen. „Nu Rotterdam hip and happening is geworden, is de gemakzucht erin geslopen. We voelden de behoefte om een steen in de vijver te gooien. Alleen al om erachter te komen of er meer mensen zijn die net als wij menen dat er veel meer uit Rotterdam te halen is”, zegt Stijn van Pelt, Dromer van het eerste uur.

Waar dromen de Dromers van? Van een ‘swingende’ stad vol mensen, met een hoge dichtheid aan woningen die voor een indrukwekkende skyline en een waarachtig stadsgevoel zorgt. Van een stad die daarom doorgaat met bouwen van wolkenkrabbers, veel meer en in een veel hoger tempo dan nu het geval is. Naar een nieuwe roaring twenties, net als honderd jaar geleden, toen Rotterdam met gedurfde architectuur, grote infrastructuurprojecten en vooroorlogse hoogbouwdrang zichzelf ook al profileerde als wereldstad in spe”.

De markthal werd eind 2014 geopend door prinses Máxima. Foto Lex van Lieshout/ANP Extra

Die visie deelt niet iedereen. Zoals vijf jaar geleden ook niet iedereen blij was met de Markthal en de Rotterdam. Een „bedrieglijke yuppenhut”, noemden Arjen van Veelen en Zihni Özdil destijds de Markthal in NRC, terwijl architectuurhistoricus Wouter van Stiphout de Rotterdam vooral zag als een symptoom van de Rotterdamse ziekte om altijd maar iconen te bouwen, om altijd maar weer het grootste of hoogste gebouw ooit neer te zetten. Kennelijk vanuit een obsessie om met een indrukwekkende skyline vanuit de verte een op straatniveau ervaren leegte te verhullen.

Van Stiphout zit met zijn bureau Crimson Architecturial Historians in de Delftsestraat, in een pand van Huig Maaskant, de grote architect van de Rotterdamse wederopbouw. Nog maar kort geleden stond het op de nominatie om samen met het Schieblock plaats te maken voor nieuwe hoogbouw. Dat project strandde en werd voor de gemeente een financiële ramp. „Het leuke van die ramp is dat daardoor een van de leukste stukjes stad heeft kunnen blijven bestaan, met allemaal kleine, creatieve bedrijfjes. Die zijn allemaal in leven gebleven ondanks de projectontwikkelaar, als paddestoeltjes op een rottende boom. Als je het dan hebt over citymarketing: met plekken als het Schieblock of de Hofbogen kom je echt verder dan met nog een wolkenkrabber.” Inmiddels ligt er een nieuw plan dat de schade voor de gemeente beperkt en de bestaande bouw voor een deel intact laat.

Te veel sloop

In Rotterdam lijken twee stromingen op elkaar te botsen. Enerzijds die waarvan de Dromers een representant zijn, of Rotterdam XL, een vergelijkbare groep die zich zegt te richten op ‘iedereen die trots is op de skyline van de stad’. Aan de andere kant staan de mensen die argwanend zijn over het oppoetsen, die juist houden van het rauwe, lelijke en ruimtelijke Rotterdam, of waken over de architectonische waarde van gebouwen uit de wederopbouw, die nu vaak met sloop worden bedreigd. Twee visies die bovendien raken aan hetzelfde probleem: de schaarste aan woningen en de dus oplopende koop- en huurprijzen, die sommige Rotterdammers zich niet kunnen veroorloven, maar anderzijds nieuwe inwoners aantrekken.

Beide kampen weten ook goed te verwoorden wat hun stoort aan het andere. Dromer Rodney Kastelan: „Rotterdam heeft tijdens de wederopbouw vooropgelopen, daarom willen we nu alles tot monument verklaren. De Lijnbaan, al die gebouwen van Maaskant: monumenten, dus er mag niets meer, terwijl er maar een klein aantal waardevol zijn. Maar we lopen niet meer voorop, maar achteraan. We zijn te behoudend.” Terwijl Van Stiphout zegt: „De stad die na de oorlog is opgebouwd heeft inmiddels een aantal lagen en is redelijk vol. Maar nog steeds leeft die romantiek van altijd maar weer nieuwe gebouwen neerzetten. Alsof er nog leegte is. Maar die is er nauwelijks meer, dus moet die gecreëerd worden door sloop. Ik vind het bizar dat het van die jonge mensen zijn die dat soort jaren vijftig ideeën aanhangen en terug willen naar die spirit van slopen en bouwen.”

Het centraal station van Rotterdam was in 2014 klaar. Foto Lex van Lieshout/ANP XTRA

Invloed van vastgoed

De discussie is niet nieuw, weet Herman Meijer, in de jaren negentig als wethouder verantwoordelijk voor volkshuisvesting en stadsvernieuwing. Hij maakte zich destijds als bestuurder sterk voor de bescherming van wederopbouwpanden. „Na het bombardement zijn we begonnen nieuwe historische lagen aan te brengen. Van die eerste laag moet je een flinke massa aanhouden om zichtbaar te blijven. Dat moet je niet vervangen door de nieuwste architectonische mode.”

Ook toen al was de invloed van de vastgoedwereld groot. Meijer herinnert zich conflicten met collega-wethouders. „Die kwamen dan aandragen met ontwikkelaars die tegen hem hadden gezegd: ‘Nou, wethouder, dat stukje van de binnenstad kan ook wel een oppepper gebruiken.’ Maar een oppepper betekende altijd slopen en nieuwbouw. Dat waren de enige termen waarin ze konden denken. Sommige ontwikkelaars kochten uitsluitend panden met het doel om ze te slopen.”

De Dromers kennen het verwijt. „We worden nog wel eens voor de lobbyisten van de ontwikkelaars uitgemaakt”, zegt Van Pelt. Onterecht, vinden ze. „Het gaat er ons om hoe je een stad beleeft. Wij denken niet in vastgoedplannen, maar hebben oog voor het geheel, dus ook voor aspecten als groen, sociale cohesie en omgaan met auto’s”, vult Kastelan aan. „Juist met het oog op duurzaam samenleven en bouwen kan Rotterdam veel stappen maken. Wij proberen hier ideeën voor te bedenken.”

Van wie is de stad?

Mogen de esthetische opvattingen van Dromers en Wakers tegenover elkaar staan, dat geldt minder voor het sociale aspect in het debat over de inrichting van Rotterdam. De huidige schaarste aan woningen drijven de huur- en koopprijzen op, ervaren de Dromers zelf aan den lijve. Voor mensen met een krappe beurs, studenten en starters is het moeilijk een betaalbare woning te vinden. De oplossing is simpel, in theorie: meer huizen bouwen. De ambitie van het huidige college van 30.000 nieuwe woningen is veel te mager, vinder de Dromers. Volgens hun is 125.000 haalbaar binnen de huidige grenzen, door de stad te verdichten en daarbij onvermijdelijk flink de hoogte in te gaan. Dromer Bonne de Roos: „Rondom torens hangt een zweem van luxe. Maar je kunt er ook kleinere woningen in bouwen, waardoor je veel mensen krijgt op relatief klein oppervlak. Dichtheid zorgt voor een leefbare stad, meer groen, meer OV en meer voorzieningen. Torens hebben een imago-probleem, daar vechten we tegen.”

Archtitectuurhistoricus Van Stiphout vindt ook dat er veel meer moet worden gebouwd. Dat er ruimte is voor verdichting, ziet hij ook. Alleen van hoogbouw is hij niet overtuigd. „Dat levert zelden een grotere dichtheid op. Het is een zeer beperkt middel dat maar op een paar plekken toepasbaar is. Vergeet niet dat de ontwikkelaars die met de plannen voor die torens komen er belang bij hebben dat de schaarste in stand blijft. Een groter aantal betaalbare woningen neemt de druk op de markt weg en heeft dus een dempende werking op de prijzen.”

Hoe dan wel te verdichten? Door leegstaande kantoren om te bouwen tot woningen bijvoorbeeld. Daarnaast ziet Van Stiphout nog een mogelijkheid: „Stop met het verdunnen door in oude volkswijken sociale woningen te slopen en er grotere dure woningen voor terug te zetten.”

Wooncorporaties: er dreigt een tekort aan betaalbare woningen

Politiek vraagstuk

Uiteindelijk is het een politiek vraagstuk: verdien je als gemeente geld door de ontwikkelaars ruim baan te geven, of geef je geld uit aan sociale woningbouw. Of kan het beide, en is er ergens een evenwicht? De Dromers menen dat de gemeente de populariteit van Rotterdam moeten uitbuiten door de ontwikkelaars eisen te stellen. Kastelan: „De gemeente kan als voorwaarde stellen dat ontwikkelaars voorzieningen opnemen in het gebouw waarop ze minder verdienen dan aan woningen, zoals kinderopvang of een school, of een medisch centrum.” Van Pelt: „Eerlijk gezegd mag het aan commerciële kant ook wel wat creatiever. Ontwikkelaars zitten in het stramien dozen neerzetten en zo goedkoop mogelijk bouwen. De beleving of hoe het in de omgeving functioneert komt op de tweede plaats. Het is moeilijk om daar verandering in te brengen, maar daar zit veel potentieel.”

Zo blijkt er een gemene deler te zijn tussen Rotterdammers die verschillen over het uiterlijk van de stad, maar vinden dat iedereen die dat wil er moet kunnen blijven of komen wonen. En tegelijkertijd zijn die verschillende esthetische opvattingen te relativeren. Oud-wethouder Meijer is van mening dat de Dromers en de Wakers zich dichter zijn genaderd dan in zijn tijd, toen ze ook al tegenover elkaar stonden. „Het hergebruik van bestaande gebouwen gebeurde begin jaren negentig nog maar heel mondjesmaat. Later hebben we kunnen bewijzen dat juist het aanwijzen van een gebouw als monument en het behoud van het gebouw nieuwe ontwikkelingen uitlokt. Daar is Hotel New York emblematisch in geweest. Toen dat eenmaal was gerealiseerd, kon je mensen overtuigen dat je iets niet hoefde te slopen om er iets goeds van te maken. Vervolgens kregen beleggers zelf de aandrang om monumentale gebouwen voor zichzelf beschikbaar te krijgen en te handhaven.”