Opinie

DePot

Mirjam de Winter

Telkens als ik bij Het Nieuwe Instituut de hoek om sloeg, schrok ik van het betonnen gevaarte dat voor me opdoemde in het Museumpark. Het nieuwe collectiegebouw van museum Boijmans Van Beuningen (in de vorm van een reusachtige bloempot) leek zó groot en massief te worden, dat ik me niet kon voorstellen dat ik er ooit van zou kunnen houden. Maar nu ze dan eindelijk zijn begonnen met de spiegelwand aan de buitenkant ervan is het toch alsof er een cadeau wordt uitgepakt. Wanneer het 40 meter hoge gevaarte straks volledig is bekleed, zullen we als het ware de hele stad erin weerspiegeld zien. En paradoxaal genoeg zal ‘DePot’ (de Rotterdamse bijnaam voor wat officieel Depot Boijmans Van Beuningen heet) dan veel minder opvallen dan nu nog het geval is. Tenminste, volgens architect Winy Maas (ook ontwerper van de Markthal), die stelt dan het straks niet anders zal ogen dan „een lief bolletje in het Rotterdamse landschap”. Maar dat lijkt me nou ook weer wat overdreven.

Met de dag groeit mijn nieuwsgierigheid naar het eindresultaat en begrijp ik ook steeds minder van mijn eerdere gevoelens van weerstand en van alle bezwaren die er waren. Dat we het parkontwerp van Yves Bruinier ermee zouden „vernietigen”. En dat er álweer een groene long in de stad „verkwanseld” werd. Dat patiëntjes van de psychiatrische afdeling van het naastgelegen kinderziekenhuis erdoor in de war zouden raken. Dat de gemeente als mede-investeerder en eigenaar van het pand een te groot financieel risico zou lopen. Dat het onwerp „bot” of „lomp” zou zijn, en de volhardende museumdirecteur een „egoïst” of „autist” die ons zijn „fantoomdepot”, „spiegelpaleis” of „pakhuis van Dagobert Duck” door de strot wilde duwen.

Het museumdepot was jarenlang een splijtzam in de stad, maar nu het er eenmaal (bijna) staat, kunnen we er maar beter van proberen te genieten. Want had museumdirecteur Sjarel Ex niet gewoon gelijk toen hij dit deel van het park een „onbeduidende grindbak” noemde? Met dat rommelige steentjestapijt en het ielige ‘bos’ van halfdode acacia’s. Het grootste en mooiste deel van het park blijft verder intact, want het gebouw neemt op de begane grond relatief weinig ruimte in beslag. Voor de psychiatrische patiëntjes van het kinderziekenhuis wordt een deel van de spiegelwand beplakt met anti-reflecterende folie. En de financiële risisco’s voor de gemeente lijken vooralsnog ook mee te vallen. De kosten zijn door allerlei tegenvallers weliswaar opgelopen van 60 naar ruim 80 miljoen euro, maar daar heeft de belastingbetaler niet voor hoeven op te draaien.

En toen ik er deze week langs liep met twee Australische toeristen en uitleg gaf over het gebouw en het concept, werden ze lyrisch. „Amazing!” riep een van hen uit. En zoals dat vaker het geval is gebleken: als ánderen op zo’n manier naar onze stad kijken, gaat bij al die mopperaars onder de Rotterdammers uiteindelijk ook wel een knopje om. Is de Euromast zo ook niet ooit een toonbeeld van trots geworden? We krijgen er dus een nieuw icoon bij. Een unieke culturele attractie bovendien, want nergens ter wereld is een museumdepot – met 151.000 collectiestukken – volledig toegankelijk voor het publiek (alleen te bezoeken met stofjassen aan). Nog even en in DePot kunnen we onszelf opnieuw zien blinken.

Mirjam de Winter (@mirjamdewinter) is freelance journalist en stadsgids in Rotterdam.