Recensie

Recensie Boeken

De verdwenen jongens van de tuchtschool

Colson Whitehead Jongens die naar deze school gingen werden gemarteld, misbruikt en verdwenen spoorloos. Schrijver Colson Whitehead ging op zoek naar hun verhaal.

Op zijn veertiende werd George Owen Smith naar een jongensschool gestuurd. Zijn familie heeft hem nooit meer gezien. Hier op de foto de hand van zijn zus Ovell Krell bij een familiefoto.
Op zijn veertiende werd George Owen Smith naar een jongensschool gestuurd. Zijn familie heeft hem nooit meer gezien. Hier op de foto de hand van zijn zus Ovell Krell bij een familiefoto. AP Photo / Chris O'Meara

‘Schrijf over de wereld die je kent’, was de schrijftip die Colson Whitehead in 2012 de lezers van The New York Times gaf. Dat is een flink cliché, maar het leek erop alsof Whitehead pas net had ontdekt dat dit een vruchtbare strategie kon zijn. Na enkele absurdistische, en een historische roman, kwam hij in 2009 met het autobiografische Sag Harbor, en na twee uitstapjes (een zombieroman en een reportage over poker), kwam zijn doorbraak. In een tijd dat er steeds meer romans over Amerika’s slavernijverleden verschenen, voegde Whitehead (1969) daar The Underground Railroad aan toe. Hij speelde op een ijzersterke manier met de geschiedenis, en had daarmee de tijdgeest te pakken: The Underground Railroad werd een enorm succes.

In De jongens van Nickel – zijn eerste roman sinds de internationale bestseller, die bovendien eerst in Nederlandse vertaling is verschenen terwijl die in de VS pas half juli verschijnt – blijft hij bij de actualiteit. Ook deze keer laat Whitehead de humor achterwege omwille van het onderwerp, de aanpak is echter ingetogener dan in The Underground Railroad. Ook deze keer geldt dat er meer boeken zijn verschenen over de gevolgen van politiegeweld tegen Afro-Amerikanen, zoals het breed opgepikte en expliciete The Hate U Give van Angie Thomas. Ingetogen en stilistisch weinig uitbundig is Whitehead in zijn aanpak, maar daarin ook afwijkend op de goede manier.

Aanvankelijk was Whitehead van plan een detective te schrijven die zich in Harlem zou afspelen. Toen zich het lot opdrong van enkele jongens die in Florida op een tuchtschool hadden gezeten, en spoorloos verdwenen waren, veranderde hij van onderwerp. Uit de vrijgegeven archieven van de Arthur G. Dozier School bleek dat de jongens waren gemarteld, misbruikt of vermoord. De ruim honderd doden waren anoniem ergens begraven, terwijl aan nabestaanden werd verteld dat de jongens waren gevlucht. Na de verkiezingen in 2016 vond Whitehead het onderwerp urgenter dan ooit, hij liet de detective links liggen en boog zich over dit historisch gegeven.

Vertaling

Whitehead situeert zijn verhaal in de jaren zestig, wanneer de 19de-eeuwse Jim Crow-wetten nog gelden. Elwood Curtis, een brave, hardwerkende jongen, besluit op een dag te liften. De man die hem oppikt, blijkt de auto waarin hij rijdt te hebben gestolen. Ze worden samen aangehouden en Elwood gaat als medeplichtige voor twee jaar naar de tuchtschool in Florida. Daar leert hij wat het betekent wanneer je wordt meegenomen naar het ‘witte huis’. ’s Nachts worden jongens door de leiding meegenomen om zweepslagen te krijgen, soms tot de dood erop volgt. Elwood zelf wordt op een avond dermate afgeranseld dat de stof van zijn broek zich in het vlees van zijn benen nestelt.

Merkwaardig dat de vertalers kozen om in het Nederlands te spreken van ‘blanken’ en ‘Negers’.

De roman speelt zich dus af in het verleden, maar de parallellen met het heden zijn evident. Het is daarom ook een merkwaardige keuze dat de vertalers – Harm Damsma en Niek Miedema – ervoor gekozen hebben om in het Nederlands te spreken van ‘blanken’ (een woord dat geen Engels equivalent heeft) en ‘Negers’. Het idee erachter is waarschijnlijk dat de vertalers het boek zo nadrukkelijker in een historische context hebben willen drukken. Verrassend is de keuze niet, gezien de bezwaren die Harm Damsma had tegen het besluit van de uitgever van James Baldwin om ‘blank’ te vervangen en het n-woord niet te gebruiken. De keuze van de uitgeverij werd toen door enkele vertalers afgedaan als meegaan in een politiek ideologische discussie. De jongens van Nickel toont dat het om meer gaat dan een politiek ideologische discussie, en volgens mij is dan ook in deze roman de verkeerde vertaalkeuze gemaakt.

Hoewel er in Whiteheads roman veel stereotyperingen schuilen – een liefdevolle oma, een intelligente Elwood die voor deugd en eerlijkheid gaat, een grappige Italiaanse kruidenier, een louche advocaat, een vriendje Tucker van het type ruwe bolster, blanke pit – krijg je pas aan het slot van het boek door hoe fascinerend het spel is dat gespeeld wordt.

James Baldwin

Whitehead knipoogt in deze roman niet alleen veelvuldig naar James Baldwin, hij laat zijn personage in gedachten in discussie gaan met Martin Luther King en geeft een verrassende draai aan het idee identiteit. In De jongens van Nickel wordt de lezer op het verkeerde been gezet over de anonimiteit van de dode jongens – een geweldig spel waarover het beter is hier niet teveel prijs te geven.

Lees ook: ‘Er zijn dorpen in het Zuiden die ik mijd’

Fraai is ook het begin waarin Elwood na het winnen van afwaswedstrijden (!) een meerdelige encyclopedie krijgt. Eenmaal thuisgekomen, ziet hij dat hij in de maling is genomen: ze hebben hem een dummy gegeven. Aanvankelijk lijkt de symbolische interpretatie voor de hand te liggen dat ze de zwarte, ambitieuze jongen dom willen houden. Pas later dringt het besef door dat de witheid van de pagina’s ook een andere functie heeft: hier mag een eigen geschiedenis ingevuld worden, zonder dat die gevuld is met opgelegde Verlichtingsidealen, die niet alleen geresulteerd hebben in de encyclopedie, maar ook in een wetenschappelijke ondersteuning van racisme. Whitehead vult die witte pagina’s met verve.

Toni Morrison rondde de samenstelling van haar essaybundel Mouth Full of Blood af voordat Whiteheads roman verscheen. Het was interessant geweest om te zien hoe ze het boek een plaats had gegeven in haar essay over Afro-Amerikaanse literatuur. Hierin stoort ze zich eraan dat die vaak wordt weggezet als ongepolijst – waarmee die literatuur indirect als primitief wordt weggezet, alsof je de westerse invloed nodig hebt om van de ruwe verhaalmaterie echte literatuur te maken, ‘levensgevaarlijk’, noemt ze het.

Paradijs

Thematisch sluiten Morrisons beschouwingen naadloos aan bij Whitehead. Mouth Full of Blood omspant een periode van veertig jaar en de essays staan thematisch geordend in het boek, niet chronologisch. Dat dat nauwelijks opvalt, zegt weinig goeds over de raciale verhoudingen in de VS. De verhalen zijn veelzijdig: een lezing voor Amnesty, een herdenking van de slachtoffers van 11 september, een reactie op James Baldwin, een verhaal over het Louvre – en diverse lezingen die Morrison hield aan universiteiten.

De rode draad is steeds hoe slavernij haar sporen nalaat in alle aspecten van de maatschappij, en hoe het zwarte verhaal ondanks alle ontwikkelingen, en ook na Martin Luther King en Barack Obama, nog altijd op elk niveau op het tweede plan staat. Sommige stukken zijn gesteld in de extreem zorgvuldige, vaak lastig te doorgronden academische taal die zo vaak op agressie en onbegrip kan rekenen. Morrison is vaker scherp, overtuigend en retorisch sterk. Ook wanneer ze terugkijkt op haar roman Paradise: ‘Ik wilde niet zozeer het idee van het paradijs onderzoeken, als wel kijken naar de beperkte verbeelding die ons beeld van het paradijs heeft voortgebracht.’

Wanneer je beide boeken dichtslaat, weet je dat verbeelding alleen niet genoeg zal zijn om dichterbij het paradijs te komen.